Wilt u gratis en vrijblijvend advies over geld lenen?
Goedkoop geld lenen? Vergelijk & kies zelf!
 
 
I
I
I
I
I
I
I
I
I
 
     
 
Wist u dat?

Wist u dat Nederlanders weer verder in het rood staan?

Wist u dat het BKR meer aanvragen krijgt?

Wist u dat meer dan de helft van alle zelfstandige ondernemers ooit met problematische schulden te maken krijgt?

Wist u dat de IB-groep steeds meer leningen verstrekt?

 
Verhalen

"Drie jaar geleden ging ik failliet. Schuldhulpverlening hielp me al mijn schulden te bundelen en regelde met mij een haalbaar afbetalings plan. Ik heb nog één jaar te gaan maar weet nu al dat ik er door kom. Voor nieuwe kleren en meubels kon ik terecht in een kringloopcentrum."

(Alain, 28)

 
 
Schuldhulpverlening voor ondernemers

Hoofdstuk 1:
Aanleiding en doelstelling van het onderzoek

1.1. Aanleiding voor het onderzoek
Het aantal gezinnen met schulden wordt steeds groter. Het risico om in de schulden te raken is voor een half miljoen gezinnen in Nederland groot. Een kwart miljoen van deze gezinnen heeft al problematische schulden. Er is een stijging van 31 % in 2004 ten opzichte van 2002. In 2004 meldden 152.000 huishoudens zich aan voor schuldhulpverlening.

Het is een taak van de gemeenten de schuldenproblematiek te bestrijden en te zorgen voor goede voorzieningen met betrekking tot schuldhulpverlening. Zowel het oplossen van het financiële probleem als het bestrijden van de oorzaak van het probleem horen bij deze taak. Deze zorgplicht is opgenomen in de Gemeentewet. Uit het onderzoek Gemeentelijke schuldhulpverlening 1999 blijkt dat volgens de gemeenten de schuldenproblematiek steeds omvangrijker en complexer wordt en vergt dus steeds meer tijd en deskundigheid. Dit wordt ervaren als een knelpunt. De samenwerking tussen gemeenten is volgens het onderzoek wel toegenomen.
Wat volgens ons een groot knelpunt is, is dat er te weinig deskundigheid is op het gebied van ondernemers met schulden.

 
Magazine
Advertentie

 

 

1.1.1. Huidige situatie
Volgens cijfers van het quick scan integrale schuldhulpverlening zijn er in 2004 9460 faillissementen uitgesproken. In circa 25 % van de schuldsaneringen gaat het om ondernemers met een eenmanszaak.

Niet alleen particulieren maar ook ondernemers kampen dus met financiële problemen. Ondernemers zijn naast de eventuele privé-schulden in sommige gevallen aansprakelijk voor schulden uit het bedrijf. Voor zakelijke schulden kan men persoonlijk aansprakelijk zijn, indien men als natuurlijke persoon onderneemt. Dit zijn onder andere ondernemers met een eenmanszaak, een vennootschap onder firma of een commanditaire vennootschap. De som van de schulden is hierdoor veel hoger dan bij particulieren het geval is. In het uiterste geval kan een Wsnp-regeling of een faillissement worden aangevraagd. Het hoeft echter niet zover te komen, er zijn diverse vormen van schuldhulpverlening voor ondernemers om een problematische schuldensituatie op te lossen.

De schuldhulpverlening voor particulieren is in de meeste gemeenten goed geregeld. Voor ondernemers en ex-ondernemers daarentegen is de schuldhulpverlening helaas minder goed geregeld. Er is schuldhulpverlening voor deze groep beschikbaar, maar deze is veel minder toegankelijk. Veel gemeenten verzorgen geen schuldhulpverlening voor ondernemers, in het beste geval verwijzen zij de ondernemer door naar private instellingen, die gespecialiseerd zijn in het uitvoeren van de schuldhulpverlening voor ondernemers. De kosten voor deze schuldhulpverlening moeten de ondernemers vaak zelf, geheel of gedeeltelijk betalen, dit in tegenstelling tot de “gratis”, dat wil zeggen door de gemeente betaalde, schuldhulpverlening voor particulieren. Dit leidt tot ongelijke situaties, omdat kleine ondernemers zich qua inkomenspositie vaak bevinden in een vergelijkbare situatie met een particulier in een lage inkomenssituatie.

Het ontbreken van toegankelijke schuldhulpverlening voor ondernemers en ex-ondernemers heeft grote gevolgen. Zo raken ondernemers steeds dieper in de schulden met als gevolg dat bedrijven moeten sluiten, personeel moet worden ontslagen en schade wordt toegebracht aan crediteuren. Kennis, kapitaal en investeringen gaan zo verloren en de ondernemer zal vaak voor een bepaalde periode een beroep moeten doen op gemeentelijke voorzieningen. In het slechtste geval zal een ondernemer een beroep moeten doen op de Wet Werk en Bijstand (WWB). Dit is voor gemeenten erg ongunstig, omdat gemeenten nu zelf verantwoordelijk zijn voor de financiering van de WWB. Sinds de invoering van de WWB in 2004 zijn extra uitgaven, onder andere door toename van het aantal uitkeringen, voor rekening van de gemeente.
De extra uitgaven kan de gemeente niet meer declareren bij de overheid. Hieruit blijkt dat de gemeente een groot belang heeft bij een vermindering van het aantal (ex-)ondernemers dat vervalt in een uitkeringssituatie. Er is dan zowel economische als maatschappelijke schade. Voor betrokken partijen, zoals schuldhulpverlenende instanties, crediteuren,
(ex-)ondernemers en gemeenten is het van belang dat de schuldhulpverlening aan
(ex-)ondernemers wordt verbeterd.

1.1.2. Probleemstelling
Gezien de huidige situatie, is het van belang dat er duidelijk in kaart wordt gebracht op welke wijze schuldhulpverlening wordt aangeboden. Tevens is het van belang om duidelijkheid te krijgen over hoe de financiering wordt geregeld in de verschillende gemeenten.
Onze vraag luidt waarom er verschillen bestaan in diverse gemeenten met betrekking.tot het vergoeden van een schuldhulpverleningstraject voor (ex-)ondernemers. In het verlengde hiervan ligt de vraag hoe bevorderd kan worden dat meer gemeenten een schuldhulpverleningstraject voor (ex-)ondernemers gaan vergoeden. Het probleem is dat schuldhulpverlening voor (ex-)ondernemers in veel gevallen niet wordt vergoed, maar de visie, motieven en beweegredenen om schuldhulpverlening wel of niet te vergoeden zijn in de verschillende gemeenten onduidelijk. De centrale vraag van ons onderzoek is: Waarom zijn er verschillen per gemeente in de wijze waarop het schuldhulpverleningstraject aan
(ex-)ondernemers wordt aangeboden?

1.2. Doelstelling en onderzoeksvragen
Met ons onderzoek beogen wij diverse doelen te bereiken. Zo willen wij meer duidelijkheid krijgen over de wijze van schuldhulpverlening bij gemeenten en over de verschillen in de schuldhulpverlening voor particulieren en (ex-)ondernemers. Wij willen de gemeenten wijzen op hun taak om te zorgen voor goede voorzieningen met betrekking tot schuldhulpverlening voor (ex-)ondernemers en wijzen op de verschillende manieren waarop een goede schuldhulpverlening aan (ex-)ondernemers tot stand kan komen.
Verder willen wij de gemeenten op een adequate manier stimuleren om beleid te maken op het gebied van financiering van schuldhulpverlening aan (ex-)ondernemers.

Om deze doelstellingen te bereiken en een antwoord te krijgen op onze centrale vraag, hebben wij een aantal onderzoeksvragen opgesteld. Elke onderzoeksvraag beslaat een gedeelte van de doelstellingen. In de interviews hebben wij aan de respondenten vragen gesteld over de visie op schuldhulpverlening en de redenen en motieven voor een gemeente om wel of niet te vergoeden. Tevens zijn wij ingegaan op de inhoudelijke schuldhulpverlening binnen de gemeenten. Hierbij kan gedacht worden aan de samenwerkingsverbanden tussen gemeenten en de verschillende schuldhulpverleningstrajecten waar de (ex-)ondernemer aanspraak op kan maken binnen de desbetreffende gemeente. Verder hebben wij vragen gesteld over de financiële draagkracht van de gemeenten en het niveau van schuldhulpverlening in deze gemeenten.

Om antwoord te krijgen op de geformuleerde onderzoeksvragen is gebruik gemaakt van zowel literatuur- als kwalitatief onderzoek. Een verdere opzet en uitwerking van het onderzoek is beschreven in hoofdstuk 5.
Naar de schuldenproblematiek bij particulieren zijn diverse onderzoeken gedaan. Uit deze onderzoeken blijkt dat een problematische schuldensituatie een directe invloed heeft op het huishouden van mensen in deze situatie. Als gevolg van de schuldensituatie ontstaan er spanningen; spanningen in het privé- en sociale leven. Ook zijn er onderzoeken gedaan naar de verschillen in de schuldhulpverlening in verschillende gemeenten. Over de vraag hoe die schuldhulpverlening geregeld is voor (ex-)ondernemers en vooral hoe die schuldhulpverlening gefinancierd wordt, is echter nog geen onderzoek gedaan. Daarom willen wij deze problematiek gaan onderzoeken.
Bij de evaluatie van de Wsnp met betrekking tot ondernemers en het onderzoeken van de rol van de gemeenten in de schuldhulpverlening hebben wij literatuuronderzoek gedaan. De nadruk lag echter op het kwalitatieve onderzoek. Daarbij zijn interviews gehouden met zowel gemeenten als betrokken instanties.
Door beide groepen aan het woord te laten, ontstaat een compleet beeld van de schuldhulpverlening voor ondernemers in Nederland.

1.3. Relevantie van het onderzoek
Om te voorkomen dat kleine ondernemers zoals eenmanszaken bij ernstige financiële problemen direct in een faillissement of Wsnp terecht komen, is een goede schuldhulpverlening voor ondernemers en ex-ondernemers belangrijk.

Gemeenten
Voor de gemeenten die wij onderzoeken is het onderzoek relevant omdat iedere gemeente te maken heeft met (ex-)ondernemers met problematische schulden. Het is een taak van de gemeenten om te zorgen voor goede voorzieningen met betrekking tot schuldhulpverlening voor alle inwoners, dus ook voor (ex-)ondernemers.
Als schuldhulpverlening voor alle inwoners van een gemeente mogelijk is, tevens voor
(ex-)ondernemers, kan dit maatschappelijke uitval en beroep op gemeentelijke voorzieningen voorkomen of verminderen en werkgelegenheid kan zo worden behouden.

Voor (ex-)ondernemers met financiële problemen is dit onderzoek relevant, omdat zij zonder een goede schuldhulpverlening de (ex-)ondernemer eerder in een Wsnp of schuldsanering terecht komen. Ook ondernemers hebben recht op een goede schuldhulpverlening.

1.4. Tot slot
De schuldenproblematiek is de laatste jaren toegenomen. De gemeente vervult een grote rol om een passende oplossing te bieden voor mensen die in de schulden zijn geraakt. Particulieren kunnen vaak wel terecht bij de gemeente, maar voor (ex-)ondernemers ontbreekt vaak de deskundigheid en dat niet alleen. Er ontbreekt vaak beleid op gebied van schuldhulpverlening en iedere gemeente hanteert een eigen werkwijze. In dit hoofdstuk hebben wij doelstellingen en onderzoeksvragen geformuleerd om uiteindelijk een antwoord te krijgen op onze centrale vraag: “Waarom zijn er verschillen per gemeente in de wijze waarop het schuldhulpverleningstraject aan (ex-)ondernemers wordt aangeboden?”

Hoofdstuk 2:
Rol van gemeenten binnen schuldhulpverlening

2.1. Inleiding
In het voorgaande hoofdstuk is al aangegeven dat gemeenten een grote rol spelen in de schuldhulpverlening. In de komende jaren zullen er een aantal veranderingen komen in de wetgeving voor gemeenten, hierbij geven wij aandacht aan de regels en gemeentelijke kaders. Om een compleet beeld te krijgen van de gehele schuldhulpverlening, wordt in dit hoofdstuk ook de geschiedenis van de schuldhulpverlening beschreven.

2.2. Geschiedenis van schuldhulpverlening
Schulden zijn niet van de laatste tijd. Aan het eind de jaren tachtig kwam er meer aandacht vanuit de diverse betrokken instanties voor de schuldenproblematiek. Doordat schulden niet meer als een incidenteel probleem werden beschouwd, probeerden de gemeenten een passende aanpak te ontwikkelen. Toch was een poging tot samenwerken van verschillende organisaties geen langdurig succes.
Uiteindelijk werd in 1992, nadat het probleem ook landelijke aandacht kreeg, de Commissie Schuldenproblematiek ingesteld. Door deze commissie werd aan de aanpak van de schuldenproblematiek gewerkt. Hierna volgde een wetsvoorstel voor de Wet schuldsanering natuurlijke personen (Wsnp) die in 1998 een feit werd.
In 1994 werd het Landelijk Platform Integrale Schuldhulpverlening opgericht. Dit werd op advies van de commissie Boorsma opgericht door Nederlandse Vereniging voor Volkskrediet (NVVK). De leden van het platform zijn de NVVK, Divosa MO-groep (algemeen maatschappelijk werk) en de Vereniging voor Nederlandse Gemeenten (VNG).

Het Landelijk Platform Integrale Schuldhulpverlening zorgt voor een betere samenwerking tussen de verschillende betrokken organisaties, werkt mee aan verschillende projecten en werkt aan de verbetering van de kwaliteit van schuldhulpverlening. Het platform heeft op 8 september 2004 een handreiking uitgebracht met algemene informatie en tips voor gemeenten hoe zij het beste om kunnen gaan met de schuldproblematiek.
Tevens is er een beschrijving gemaakt van het basispakket integrale schuldhulpverlening. Gemeenten worden geacht dit basispakket in huis te hebben. Dat wil niet zeggen dat al deze diensten ook binnen de gemeentegrenzen en door de gemeente zelf moet worden uitgevoerd. De gemeente kan samenwerken met andere gemeenten of de diensten uitbesteden.
Het is niet zo dat alle cliënten van alle diensten gebruik moeten maken. Een selectie van diensten moet zo veel mogelijk op maat worden aangeboden aan de cliënt.
De gemeente kan in principe alle onderdelen van schuldhulpverlening (het basispakket) zelf uitvoeren. Ondernemers komen in aanmerking voor een schuldregeling; schuldhulpverlening voor ondernemers (zij die hun beroep of bedrijf voortzetten en zij die de bedrijfsactiviteiten stoppen) wordt in de handreiking een specialisme genoemd. Het is over het algemeen niet efficiënt dit als gemeente zelf op te zetten. Als de gemeente onvoldoende expertise in huis heeft, kan de schuldhulpverlening ook worden uitbesteed.

2.3. Rol van de gemeente
In de handreiking van het Landelijk Platform Integrale Schuldhulpverlening wordt beschreven binnen welk beleidskader de gemeenten het schuldhulpverleningsbeleid kan vormgeven. Gemeenten hebben hierin een grote beleidsvrijheid. Aangezien er geen wetgeving is over de wijze van schuldhulpverlening binnen de gemeente, kan elke gemeente zelf deze taak invullen. De overheid beperkt zich in het maken van regelgeving over de taak van de gemeenten en houdt zich dus zo veel mogelijk op de achtergrond.
De Wet Werk en Bijstand (WWB) geeft wel een aantal duidelijkheden betreffende verstrekking van bijstand in natura, verplicht budgetbeheer en reïntegratie. De faillissementswet geeft aan dat de gemeente verantwoordelijk is voor het afgeven van de “Wsnp-verklaring”.
Gemeenten moeten in de verklaring kunnen laten zien dat zij zich optimaal hebben ingespannen om tot een minnelijke regeling te komen. De rechter bepaalt via de verklaring of de schuldenaar wordt toegelaten tot de wettelijke regeling. In de Wet Maatschappelijke Ondersteuning is de verantwoordelijkheid van gemeenten vastgelegd op gebied van wonen, zorg en welzijn voor sociaal- of fysiek zwakke groepen in de samenleving. Er zijn ook niet-wettelijke gedragscodes, die gemeenten kunnen volgen, bijvoorbeeld de gedragscode van de Nederlandse Vereniging voor Volkskrediet (NVVK).

Wet Werk en Bijstand
Een van de beleidskaders die de gemeente heeft is de WWB. De WWB regelt de bijstand en integratie. Ongeveer 40% van schuldenaren heeft een bijstandsuitkering . De schuldenproblematiek kan het leven van de schuldenaar zo beheersen dat hij zich onvoldoende kan concentreren op werk of het zoeken naar werk. Door middel van schuldhulpverlening wordt de situatie van de schuldenaar gestabiliseerd en krijgt hij de rust om zich op een betaalde baan en andere zaken te kunnen richten.
Schuldhulpverlening maakt deel uit van het gemeentelijk armoedebeleid. Het gemeentelijk
armoedebeleid is daarom kaderscheppend voor het schuldhulpverleningsbeleid.

Landelijk referentiemodel integrale schuldhulpverlening
In de handreiking wordt ook het Landelijk Referentiemodel Integrale Schuldhulpverlening beschreven. In het model is het werkproces schuldhulpverlening beschreven. Gemeenten en instanties kunnen hun eigen werkproces hierop baseren. Gemeenten kunnen bij de inkoop van diensten bij ketenpartners of particuliere bureaus op basis hiervan ook eisen stellen aan hun werkwijze.

Geen verantwoordelijkheid van de gemeente
De gemeente is niet verantwoordelijk voor alle facetten van schuldhulpverlening. Voor een groot gedeelte zijn de regels rond de schuldenproblematiek opgenomen in de WFD en Wsnp. Er hoeft dus niet voor alles beleid gemaakt te worden, maar het is wel van belang dat beleid erop wordt afgestemd. Ook commerciële bureaus mogen schuldhulpverlening aanbieden. Deze zijn niet altijd afhankelijk van financiële middelen van de gemeente en de aansturing valt dan ook niet onder de verantwoordelijkheid van de gemeente.

Hoofdstuk 3:
Bedrijfscrisis

3.1. Inleiding
De bedrijfscrisis is een relevant onderwerp als er aandacht wordt besteed aan het minnelijk traject en de Wsnp van een (ex-)ondernemer. Een bedrijfscrisis is een situatie waarbij sprake is van een financiële trendbreuk waaruit de onderneming niet op eigen kracht kan terugkeren en waarin de ondernemer de problemen nauwelijks zelfstandig kan oplossen.
De bron van de (financiële) problemen ligt bij de bedrijfscrisis. Om het voortraject van de ondernemer beter te begrijpen, besteden wij aandacht aan de bedrijfscrisis.

In dit hoofdstuk wordt allereerst ingegaan op de aansprakelijkheid van de ondernemer bij de verschillende rechtsvormen. Hierna wordt beschreven welke factoren een rol spelen bij het ontstaan van een bedrijfscrisis, waarbij een onderscheid gemaakt wordt tussen bedrijfsinterne en -externe factoren. Tenslotte worden de gevolgen van de bedrijfscrisis voor de ondernemer genoemd.

3.2. Aansprakelijkheid van de ondernemer
In ons onderzoek leggen we de nadruk op ondernemingen van natuurlijke personen. Er zijn verschillende rechtsvormen van natuurlijke personen; de eenmanszaak, Vennootschap onder Firma (VOF), Maatschap en Commanditair Vennootschap (CV)
Wij zullen vooral de aandacht besteden aan de eenmanszaak en VOF, omdat deze ondernemingsvormen relatief het meeste voorkomen bij kleine ondernemers en omdat zij persoonlijk aansprakelijk zijn voor de schulden en dus geconfronteerd worden met het ontbreken van schuldhulpverlening voor ondernemers.
Bij een eenmanszaak is alleen een inschrijving in het handelsregister van de Kamer van Koophandel nodig. De eerste ondernemingsdaad geldt hierbij als start van de onderneming.
Een eenmanszaak komt veel voor omdat deze zonder veel problemen of formaliteiten kan worden opgericht. De eigenaar van de eenmanszaak is hoofdelijk aansprakelijk voor alle schulden, hierbij is de ondernemer met het hele vermogen aansprakelijk, ook zijn privé-vermogen.
De VOF kan een goede ondernemingsvorm zijn, als meerdere personen een onderneming op willen zetten. Vennoten kunnen onderlinge afspraken in een vennootschapscontract vast laten leggen. Iedere vennoot is hoofdelijk aansprakelijk met zijn privé-vermogen als de vennootschap haar verplichtingen niet nakomt. Een VOF heeft een afgescheiden vermogen, dat ingebracht is door de vennoten en uitsluitend voor de uitoefening van de onderneming. Schuldeisers kunnen de schulden verhalen op het zakelijk vermogen van de vennootschap. Als dit afgescheiden vermogen niet genoeg is om de schulden van de VOF te voldoen, dan kunnen deze schuldeisers aanspraak maken op het privé-vermogen van de verschillende vennoten.

3.3. Oorzaken van een bedrijfscrisis
Volgens het literatuuronderzoek van Bronkhorst kunnen de belangrijkste factoren die een rol kunnen spelen bij het verklaren van een bedrijfscrisis worden verdeeld in twee groepen. Dit zijn bedrijfsinterne factoren en bedrijfsexterne factoren.

Bij bedrijfsinterne factoren staan de ondernemer en zijn ondernemerseigenschappen en –kenmerken centraal. Een eerste factor is marketingproblemen. Hierbij kan men denken aan een gebrek aan klanten. Ook onvoldoende marktverkenning speelt een rol; slechts 10% van de starters heeft een marktonderzoek laten verrichten. Een tweede factor zijn financiële factoren. De belangrijkste redenen waardoor een ondernemer in financiële problemen kan komen zijn:
• omzet lager dan begroot /kosten hoger dan begroot, resulterend in een lagere winst
• omzet komt langzaam op gang, terwijl kosten gemaakt moeten worden
• afnemers betalen niet of niet op tijd
• aanloopkosten en investeringen hoger dan begroot
• overzicht ontbreekt, doordat er geen administratie wordt bijgehouden
De derde factor zijn personeelsfactoren, vaak worden de personeelslasten onderschat door de ondernemer. De vierde factor is een slechte administratieve verslaglegging; ondernemers moeten zelf ook de cijfers te kunnen begrijpen en interpreteren.
De vijfde factor hangt samen met de eerste en vierde factor en heeft te maken met problemen omtrent organisatie en management. Vaak hebben ondernemers onvoldoende marktkennis en kennis van administratieve vaardigheden.
Een laatste factor zijn gezondheidsfactoren, waarbij de gezondheidsoorzaken en andere persoonlijke omstandigheden een rol spelen bij het ontstaan van een crisis.

Bij bedrijfsexterne factoren spelen vooral de conjuncturele omstandigheden en de keuze en kenmerken van de markt waarin de onderneming opereert een rol. Bij de bedrijfsexterne factoren gaat het vooral om de externe factoren waar de ondernemer geen invloed op kan uitoefenen.

De bedrijfscrisis is voor een groot deel terug te voeren naar de manier van oprichting van de ondernemer. In veel gevallen blijkt dat de ondernemer niet voldoende tijd en moeite neemt om zich goed voor te bereiden op de oprichting van de onderneming.

3.4. Gevolgen van een bedrijfscrisis
Een bedrijfscrisis heeft een directe invloed op de ondernemer. Voor de ondernemer en zijn gezin blijken er verschillende gevolgen te ontstaan, zoals dreigende werkloosheid, huisvestingsproblemen, psychische problemen en relatieproblemen. In het onderzoek van Bronkhorst wordt hier verder op in gegaan.

Een bedrijfscrisis leidt in veel gevallen tot een faillissement. Dit faillissement kan in sommige gevallen worden voorkomen. Dit kan op een aantal manieren die hieronder besproken zullen worden.

Schuldhulpverlening
Schuldhulpverlening is het helpen van een schuldenaar bij het vinden van een oplossing voor zijn problematische situatie en het voorkomen van een terugval in de oude situatie. Schuldhulpverlening kan een schuldsanering zijn, waarbij het volledige schuldenpakket wordt opgelost door het verstrekken van een saneringskrediet, en schuldbemiddeling, waarbij door bemiddeling een regeling met schuldeisers wordt gesloten, dit zonder het verstrekken van een saneringskrediet. Een voorbeeld van schuldsanering is het bedrijfskrediet bedoeld ter sanering van schulden uit de regeling Besluit bijstandsverlening zelfstandigen (Bbz) die wordt besproken in hoofdstuk 4. Een voorbeeld van een schuldregeling is het minnelijke schuldhulpverleningstraject volgens de gedragscode van de NVVK.(zie paragraaf 4.3.)

Wsnp
Mocht schuldhulpverlening onmogelijk zijn, bijvoorbeeld omdat de schuldeisers niet akkoord gaan, of omdat de schuldenaar geen aflossingscapaciteit heeft, dan kan de schuldenaar een verzoek doen tot toepassing van de Wsnp. (Zie paragraaf 4.4.)
Een schuldenaar die een faillissement heeft aangevraagd, dan wel voor wie er een is aangevraagd, wordt alsnog in de gelegenheid gesteld om een beroep te doen op de wettelijke schuldsaneringsregeling.

Surséance van betaling
Een surséance of uitstel van betaling kan door een schuldenaar worden verzocht. Een surseance moet voorkomen dat de schuldenaar, die door tijdelijke problemen niet kan betalen, direct failliet wordt verklaard. Zolang de surseance duurt kunnen de schuldeisers geen betaling verlangen. Tijdens de surseance van betaling wordt onderzocht of de betalingsproblemen nog kunnen worden opgelost. De onderneming kan op die manier (voorlopig) blijven voortbestaan en overeenkomsten sluiten met andere partijen, mits de door de rechtbank aangestelde bewindvoerder hier zijn goedkeuring aan verleend.

Mochten bovenstaande regelingen niet tot een oplossing leiden dan zal een bedrijfscrisis vaak eindigen in een faillissement.

Faillissement
Een faillissement is een beslag op het gehele vermogen van de schuldenaar ten behoeve van alle schuldeisers. Er wordt een beslag gelegd op alle bezittingen van de schuldenaar, zodat deze kunnen worden verkocht. De bedoeling van een faillissement is om afzonderlijke beslagen van verschillende schuldeisers op te heffen of te voorkomen. In de plaats van de beslagen komt er een faillissement dat op alle bezittingen rust en is bedoeld voor alle schuldeisers. De schuldenaar kan zelf om een faillissement verzoeken, maar meestal wordt het faillissement aangevraagd door één of meer schuldeisers. In een faillissement verliest de schuldenaar het beheer en beschikking over zijn vermogen, dit wordt door de curator overgenomen.

3.5. Tot slot
In dit hoofdstuk is aandacht besteed aan verschillende aspecten van de crisis in de onderneming. Wij hebben vooral de aandacht besteed aan de eenmanszaak en VOF, omdat deze ondernemingsvormen relatief het meeste voorkomen. De eigenaar van een eenmanszaak of VOF is hoofdelijk aansprakelijk voor alle schulden. De bedrijfscrisis resulteert voor de ondernemer in veel gevallen in een faillissement. In enkele gevallen kan het bedrijf echter nog gered worden, in het volgende hoofdstuk gaat we uitgebreid in op de manieren waarop dit kan gebeuren. Hierbij spelen de Bbz-regeling en de minnelijke schuldhulpverlening een belangrijke rol.

Hoofdstuk 4:
Minnelijke schuldhulpverlening en wettelijke schuldsanering

4.1. Inleiding
Er zijn verschillende mogelijkheden om schuldhulpverlening te verzorgen. Zo wordt er allereerst onderscheid gemaakt tussen particulieren en ondernemers. Voor ondernemers is er namelijk een aparte mogelijkheid om uit de schulden te komen en het bedrijf te behouden. Indien de ondernemer het bedrijf niet meer kan behouden, zijn er twee mogelijkheden: het minnelijk traject ook wel NVVK Traject genoemd en als laatste mogelijkheid, als het minnelijk traject is mislukt, de Wet schuldsanering natuurlijke personen (Wsnp). In dit hoofdstuk worden deze trajecten van schuldhulpverlening beschreven.

4.2. Besluit bijstandverlening zelfstandigen
Het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz) is een onderdeel van de Wet Werk en Bijstand (WWB). Zij ondersteunt ondernemers of beoefenaren van een vrij beroep die - door welke oorzaak dan ook - tijdelijk in financiële problemen zijn geraakt of dreigen te raken. Zo kunnen ondernemers die tijdelijke financiële problemen hebben, oudere ondernemers met een niet-levensvatbaar bedrijf en ondernemers die hun bedrijf willen of moeten beëindigen worden ondersteund. Dit kan op verschillende manieren zowel in de vorm van een periodieke uitkering als aanvulling op het inkomen, als in de vorm van een bedrijfskapitaal en/of borgstelling. Ook aan startende ondernemers kan er ondersteuning gegeven worden, om hen in de gelegenheid te stellen hun bedrijf rendabel te maken.
In deze situaties kan men niet altijd bij een bank of andere kredietverstrekker terecht en kan de gemeente de ondernemer helpen met deze bijstandsregeling. Ten aanzien van de WWB beperkt de regeling de instroom, door ondernemers in financiële problemen te ondersteunen en bevordert de uitstroom, door startende ondernemers te helpen.

4.2.1. Voorwaarden van de Bbz-regeling
Om aanspraak te kunnen maken op de Bbz-regeling, moet aan een aantal voorwaarden worden voldaan, onder andere:
• het bedrijf moet levensvatbaar zijn
• de ondernemer heeft geen andere financieringsmogelijkheden meer
• de ondernemer dient al minimaal anderhalf jaar zelfstandige te zijn
• de partner van de ondernemer heeft een inkomen van maximaal het sociaal minimum
Er is een grens aan het eigen vermogen van de ondernemer die een beroep doet op de Bbz.
Als het eigen vermogen meer is dan €160.313,-, kan er geen Bbz krediet worden verstrekt, doordat Bbz een vorm van bijstand is. Is het eigen vermogen boven de €38.147,- dan kan de bijstand alleen geschonken worden als dit eigen vermogen niet méér is 30% van het totale vermogen. Bij minder dan €38.147,- vermogen kan wel bijstand worden geschonken. Bij oudere zelfstandigen geldt alleen de vermogensgrens van €112.220,-.

Maximaal kan €166.576,- worden geleend. De rente is 4,5% en de looptijd bedraagt maximaal 10 jaar. Een onafhankelijke bedrijfsdeskundige, vaak het Instituut voor Midden- en Kleinbedrijf (IMK), beoordeelt de levensvatbaarheid van het bedrijf en afhankelijk van het advies wordt de hoogte van het Bbz-krediet bepaald. De uitvoering van de Bbz gebeurt door de gemeente. De gemeente beslist of de uitkering verstrekt wordt.

Gemeente
Driekwart van de kosten voor de Bbz kan worden gedeclareerd bij de overheid. Een kwart is voor rekening van de gemeente. In sommige gevallen kan zelfs 90% worden gedeclareerd worden bij de overheid. De saneringen die door externe bureaus worden gedaan kunnen soms, afhankelijk van gemeentelijk beleid, worden meegefinancierd.

Onbekendheid Bbz
In het onderzoek van Bronkhorst kwam naar voren dat er geen goede informatievoorziening is voor ondernemers met financiële problemen. “Er ontbreekt een centraal aanspreekpunt waar een ondernemer met financiële problemen zich in een vroegtijdig stadium kan oriënteren. Doordat een dergelijk aanspreekpunt ontbreekt, zijn ondernemers vaak niet op de hoogte van regelingen waar ze een beroep op kunnen doen en komen ze onnodig in de wettelijke schuldsanering terecht. Zo blijken verschillende ex-ondernemers in de Wsnp het Besluit bijstandverlening zelfstandigen (Bbz) niet te kennen”.“Doel van de Bbz-regeling is zelfstandigen die in financiële problemen verkeren door bijstandverlening tijdelijk tegemoet te komen, om hen in staat te stellen weer volledig in hun bestaansonderhoud te voorzien. Om hiervoor in aanmerking te komen moet het bedrijf wel levensvatbaar zijn en andere financieringsmogelijkheden moeten zijn uitgeput. Ook als men een partner heeft met een inkomen boven het bestaansminimum kan men geen gebruikmaken van de regeling. Met behulp van de Bbz-regeling kan de onderneming vaak worden voortgezet en kunnen ondernemers een hoger akkoord aan schuldeisers aanbieden, waardoor de kans op een minnelijke regeling groter wordt”.

4.3. Minnelijk schuldhulpverlening conform de NVVK-methode
De Nederlandse Vereniging voor Volkskrediet (NVVK) is de koepelorganisatie voor instellingen die actief zijn op het gebied van financiële hulpverlening in de vorm van schuldhulpverlening, kredieten, budgetbeheer.

4.3.1. Geschiedenis
De NVVK is een koepelvereniging voor gemeentelijke kredietbanken en instellingen van schuldhulpverlening en is in 1932 opgericht. Door het oprichten van deze vereniging probeerde de NVVK een alternatief aan te bieden voor de commerciële kredieten, waarvoor men hele hoge rentes voor vroeg. Oorspronkelijk was de NVVK alleen een koepelvereniging voor instellingen die volkskrediet verleenden.

De gemeentelijke kredietbanken gingen ook mensen helpen aan een lening om andere schulden af te betalen. De NVVK heeft in 1979 een gedragscode ontwikkeld, waarin regels staan beschreven waaraan de schuldhulpverlener zich moet houden om de belangen van schuldenaar en schuldeiser optimaal tegen elkaar af te wegen. Op 26 februari 2004 is de nieuwste versie van de gedragscode vastgesteld, hierin is onder meer het 120-dagen-model en financieel beheer geregeld.

Oorspronkelijk waren alleen gemeentelijke kredietbanken lid, nu bestaat de helft van het aantal leden uit kredietbanken en de andere helft uit andere schuldhulpverleningsinstellingen.
De NVVK verstrekt zelf geen hulp aan particulieren, maar behartigt de belangen van alle aangesloten leden op het terrein van kredietverlening aan particulieren, schuldhulpverlening en budgetbeheer en treedt op als intermediair tussen de gemeentelijke kredietbanken en de overheden en andere private instellingen die op het genoemde werkterrein actief zijn.

4.3.2. De NVVK-methode
Basis voor de schuldhulpverlening in het minnelijke traject in Nederland is de Gedragscode Schuldhulpverlening van de (NVVK). In deze code staat beschreven waaraan de schuldhulpverlener zich moet houden om de belangen van schuldenaar en schuldeiser optimaal tegen elkaar af te wegen. De code wordt ook wel de NVVK-methode genoemd.
Wanneer er voldoende afloscapaciteit is, kan er voor de schuldenaar een minnelijke regeling worden opgezet.
Het traject, dat het NVVK heeft ontwikkeld, wordt onderscheiden in drie fasen en ziet er als volgt uit:
• Fase 1: de intakefase, waarin een eerste inventarisatie van het schuldprobleem
wordt gemaakt en wordt bepaald welke (verdere) gegevens en acties noodzakelijk zijn.
• Fase 2: de verificatieperiode, waarin de definitieve vaststelling van het
schuldprobleem plaatsvindt, uitstel van betaling bij de schuldeisers wordt
verzocht en direct wordt bemiddeld bij dreigende schulden (ontruiming,
verkoop, faillissementsaanvragen). Dit wordt ook wel het 120 dagen model genoemd.
• Fase 3: de periode na de 120 dagen van fase 2 , waarin de schulden worden afgelost.

4.3.3. Werkwijze
Een schuldenaar die problematische schulden denkt te hebben, kan een schuldregeling aanvragen. Volgens vaste regels wordt vastgesteld of inderdaad sprake is van problematische schuld situatie. Daarna is een onderdeel van de schuldhulpverlening het berekenen van de aflossingscapaciteit. Dit is het is het totale inkomen van de schuldenaar min het budget (of vrij te laten bedrag). Het vrij te laten bedrag (VTLB) is het bedrag dat een schuldenaar maandelijks mag overhouden van zijn inkomen om van te leven. Het is ongeveer even hoog als de bijstandsnorm. In de nieuwe gedragscode wordt niet meer gesproken over aflossingscapaciteit als een vaststaand feit, maar over het VTLB als uitgangspunt. De aflossingscapaciteit kan sterk variëren met het maandelijks inkomen.

In de intakefase is de schuldenaar gevraagd een opgave van de schulden te doen. Alle schulden dienen in de regeling te worden opgenomen en alle schuldeisers dienen gelijk te worden behandeld. Er kan wel een onderscheid worden gemaakt tussen preferente schuldeisers en concurrente schuldeisers. Een regeling, waar een of meer schuldeisers buiten gelaten zijn, is niet toegestaan op grond van de gedragscode en is ook praktisch gezien niet uitvoerbaar. Een schuldeiser zou bijvoorbeeld kunnen besluiten om beslag te laten leggen op het loon van de cliënt. Daarmee zou de aflossingscapaciteit - of althans een groot deel daarvan - wegvallen en zou de cliënt opnieuw in moeilijkheden geraken. Kredietbanken ook alleen een saneringskrediet wanneer alle betrokken partijen akkoord gaan.
Middelen
De schuldenaar moet zich gedurende 36 maanden maximaal inzetten om de schulden zo veel mogelijk af te lossen. Daarvoor worden twee bronnen ingezet: het vermogen en het inkomen.
Vermogen: Alle eventuele banksaldi, waardepapieren, waardevolle voorwerpen, het eigen huis, opgebouwd vermogen in verzekeringen, lijfrentes en in beginsel ook de auto moeten worden ingezet voor de regeling.
Inkomen: alle inkomsten boven het VTLB. Inclusief alle verwachte en onverwachte extra inkomsten.
Mogelijkheden
Er zijn verschillende mogelijkheden in de regeling, een bemiddeling, een sanering of een combinatie. Een schuldsanering is het (volledig) oplossen van een (problematische) schuldsituatie door het verstrekken van een saneringskrediet, meestal door de gemeentelijke kredietbank. Het netto bedrag dat via een saneringskrediet ter beschikking komt, is afhankelijk van de aflossingscapaciteit, de aflossingsperiode en de rente die betaald moet worden. Een schuldbemiddeling is het (volledig) oplossen van een (problematische) schuldsituatie door het bemiddelen tot een regeling met de schuldeisers, met als basis de beschikbare aflossingscapaciteit van de schuldenaar.

Het bedrag dat totaal beschikbaar is voor de regeling van de schulden, is (afhankelijk van de regeling) samengesteld uit:
• netto hoofdsom saneringskrediet;
• bedrag beschikbaar voor bemiddeling;
• eigen middelen, zoals de opbrengst van de verkoop van de auto en andere vermogens;
• andere middelen, bijvoorbeeld fondsen.
Eventuele kosten van de regeling worden op het totaalbedrag in mindering gebracht.
Aan de hand van de van de financiële situatie van de schuldenaar moet worden beoordeeld of een schuldregeling tot de mogelijkheden behoort. Deze beoordeling kan tot drie conclusies leiden:
• De schuldenaar heeft voldoende aflossingscapaciteit en alle schulden kunnen in maximaal 36 maanden geheel worden afbetaald.
• De schuldenaar beschikt over onvoldoende aflossingscapaciteit en de schulden kunnen niet in 36 maanden geheel worden afbetaald. Wel beschikt de schuldenaar iedere maand over een bepaald aflossingsbedrag, dat aangewend kan worden voor de betaling van zijn schulden. Er wordt de schuldeisers een percentagevoorstel gedaan tegen finale kwijting. De schuldenaar betaalt dan gedurende 36 maanden zijn schuldeisers het bedrag dat hij maximaal kan opbrengen. Na deze 36 maanden wordt het eventuele restant van de schuld kwijtgescholden.
• De schuldenaar heeft geen aflossingscapaciteit en er is in de komende tijd geen aflossingscapaciteit te verwachten. Er kan dan een schuldbemiddeling worden opgezet met een (geconditioneerde) finale kwijting van de (bestaansbedreigende) schulden of als dit niet mogelijk is advisering van de schuldenaar om te bewerkstelligen dat de schuldenlast niet verder zal oplopen.
4.4. Wsnp
De Wsnp, de Wettelijke schuldsanering natuurlijke personen is op 1 december 1998 in werking getreden. De doelstelling van de wet is het bieden van een regeling waardoor kan worden voorkomen dat een natuurlijk persoon die in een problematische schuldsituatie is terechtgekomen tot in lengte van dagen met zijn schulden kan worden achtervolgd. Door het bestaan van de regeling moet de bereidheid van schuldeisers om een regeling te treffen met de schuldenaar in het minnelijke traject worden bevorderd. De Wsnp moet werken als een ‘stok achter de deur’. Deze wettelijke regeling is te vinden vanaf art. 284 Faillissementswet.
Met het invoeren van deze wet werd beoogd het aantal faillissementen van natuurlijke personen terug te dringen. Om dit te bevorderen wordt een natuurlijk persoon, na het aanvragen van een faillissement, alsnog in de gelegenheid gesteld om een beroep te doen op de wettelijke schuldsaneringsregeling. In uitzonderingsgevallen kan een uitgesproken faillissement nog worden omgezet in een wettelijke schuldsaneringsregeling.

4.4.1. Verzoek tot toepassing van de Wsnp
De procedure om toegang te krijgen tot de wettelijke schuldsaneringsregeling komt op gang door een verzoekschrift van de schuldenaar. Als een schuldenaar getrouwd is, of een geregistreerd partnerschap is aangegaan, dan kan het verzoek alleen worden ingediend samen met de echtgenoot of partner. In art. 285 Fw staan welke documenten als bijlagen aan het verzoekschrift moeten worden toegevoegd.

4.4.2. Uitspraak van de rechtbank
De rechtbank doet op het verzoekschrift direct uitspraak en kan de regeling voorlopig, definitief of niet van toepassing verklaren. De regeling kan niet worden geweigerd uitsluitend omdat er geen of onvoldoende vooruitzicht bestaat dat de schuldeisers geheel of gedeeltelijke worden betaald. Als de Wsnp wordt uitgesproken over een schuldenaar dan benoemt de rechtbank een rechter-commissaris en een bewindvoerder. De uitspraak wordt gepubliceerd in de Staatscourant, tevens wordt de uitspraak ingeschreven in het landelijke register schuldsaneringen.

4.4.3. Gevolgen de schuldenaar
Op het moment dat de rechtbank heeft bepaald dat de Wsnp van toepassing is, worden alle beslagen die de schuldeisers hebben gelegd, opgeschort. Ook zal er, net zoals in het minnelijke traject, een vrij te laten bedrag worden bepaald. Dit gaat volgens wettelijke regels. De saniet, zoals iemand waarop de Wsnp van toepassing is verklaard wordt genoemd, heeft een aantal verplichtingen. Een informatieplicht, wat inhoudt dat een saniet de bewindvoerder op de hoogte moet houden, onder andere wat betreft alle zaken die met inkomsten en uitgaven te maken hebben. Een inspanningsverplichting, wat inhoudt dat de saniet zich in moet spannen om werk te vinden, c.q. een hoger inkomen te verwerven. Tevens mag de saniet, als vanzelfsprekend, geen nieuwe schulden maken.

4.4.4. Einde van de Wsnp-regeling
De regeling kan op verschillende wijzen eindigen. De Wsnp kan in een faillissement eindigen wanneer de saniet tracht zijn schuldeisers te benadelen, nieuwe schulden maakt of zijn verplichtingen niet nakomt. De Wsnp kan ook eindigen in een schone lei, dit gebeurt wanneer de vastgestelde termijn verstrijkt. De vorderingen die onder de schuldregeling vallen en niet geheel voldaan zijn, worden bij een schone lei omgezet in een natuurlijke verbintenis, dit betekent dat de schulden niet meer opeisbaar zijn. De Wsnp kan ook eindigen zonder toekenning van schone lei, maar ook zonder faillissement, dit wanneer een schuldenaar zich niet geheel aan de regels heeft gehouden, maar ook niet echt heeft misdragen. Tot slot kan Wsnp eindigen door het aanbieden van een akkoord aan de schuldeisers.

4.4.5. Wsnp en ondernemers
Ondernemers zonder rechtspersoonlijkheid, zoals eenmanszaken en de vennoten van een vennootschappen onder firma die volgens de wet worden aangemerkt als natuurlijke personen kunnen een verzoek indienen tot toepassing van de wettelijke schuldsanering.
Er is besloten om ondernemers toe te laten tot de wettelijke schuldsanering omdat het juridisch en praktisch niet altijd mogelijk is een strikte afbakening te maken tussen zuivere privé-schulden en zuivere zakelijke schulden van een natuurlijke persoon.

Ondernemers vormen een bijzondere groep binnen de Wsnp, omdat hun problematiek doorgaans ingewikkelder is dan die van niet-ondernemers. In de Wsnp is sprake van een
(ex-)ondernemer als de schuldenaar (natuurlijke persoon) gedurende de vijf jaar voorafgaand aan de toepassing van de Wsnp een bedrijf of vrij beroep heeft gehad. In ongeveer een vierde van de Wsnp-zaken is sprake van een ondernemer of ex-ondernemer. Vaak zal de rechter een advocaat tot bewindvoerder benoemen. De meeste ondernemers die in de Wsnp komen, hebben geen minnelijk traject doorlopen. Bij de meeste zaken was er sprake van een voormalig faillissement of een faillissementsaanvraag. Sommigen hebben het gewone minnelijke traject doorlopen. Vaak zijn dit ex-ondernemers waarbij de onderneming al enige tijd achter de rug is en die op een gewone zaak lijken wat betreft complexiteit.
Het minnelijke traject voor ondernemers is nog slecht ontwikkeld. Van de (ex-)ondernemers heeft 28% geen minnelijk traject gevolgd en van 9% is het traject onbekend. In 20% van de dossiers is er geen voortraject geweest, omdat de Wsnp-aanvraag is ingediend vanuit een faillissement of omdat er sprake was van een faillissementsaanvraag. De gemeentelijke kredietbank begeleidt bij 34% van de (ex-)ondernemers de minnelijke regeling en bij 12% gebeurt dit door een particuliere organisatie. De overige schuldhulpverlening is verdeeld over verschillende organisaties; alleen het Algemeen Maatschappelijke Werk komt niet voor bij (ex-)ondernemers.
Gemeentelijke kredietbanken of andere gemachtigde instanties hebben vaak niet de kennis in huis om goed te beoordelen of een ondernemer in financiële moeilijkheden in voldoende mate heeft geprobeerd een minnelijke schikking te treffen. Doordat specifieke fiscale en bedrijfseconomische kennis ontbreekt, is de kwaliteit van de verklaring vaak onder de maat. “Zittingsrechters zijn daarom veelal gedwongen zelf voor een oplossing te zorgen. Een enkeling doet dat door zelf in de jaarverslagen en –indien nodig – in de bedrijfsadministratie van de betreffende ondernemer te duiken. De meesten nemen hiervoor echter niet de tijd en beslissen over de toelating op basis van de gebrekkige informatie die beschikbaar is. Tenzij direct duidelijk is dat sprake is van onregelmatigheden, worden ondernemers meestal gewoon tot de WSNP toegelaten. Dit gebeurt dus eigenlijk zonder dat gedegen onderzoek is gedaan.”

De Wsnp is primair gericht op liquidatie van de onderneming. Slechts in uitzonderings-situaties kan een bedrijf nog een korte periode gedurende de schuldsaneringsregeling actief blijven. (art. 311 Fw) Dit is het geval wanneer een akkoord op korte termijn verwachten is.

4.5. Tot slot
In dit hoofdstuk zijn diverse vormen van schuldhulpverlening aan bod gekomen. Wij hebben de Bbz-regeling, de NVVK-methode en de Wsnp uitgebreid beschreven. Het Besluit bijstand zelfstandigen is een mogelijkheid voor ondernemers om uit de schulden te komen en het bedrijf te behouden. Indien de ondernemer het bedrijf niet meer kan behouden, zijn er twee mogelijkheden: het minnelijk traject ook wel NVVK-methode genoemd, en als laatste mogelijkheid als het minnelijk traject is mislukt; de Wsnp.
Voordat wij in hoofdstuk 6 onze onderzoeksresultaten uiteen zullen zetten, gaan wij nu in op de manier waarop wij het onderzoek hebben opgezet en uitgevoerd.

Hoofdstuk 5:
Opzet en uitvoering van het onderzoek

5.1. Inleiding
In dit hoofdstuk komt de opzet en uitvoering van het onderzoek aan bod. In de eerste paragraaf wordt aandacht besteed aan het kwalitatief onderzoek. Daarbij wordt ingegaan op de motivatie voor de keuze van kwalitatief onderzoek en de kenmerken hiervan. Bij zowel de gemeenten als bij de betrokken instanties is een kwalitatieve onderzoeksmethode toegepast. In de paragraaf 5.3. wordt ingegaan op de respondenten, waarbij aandacht wordt besteed aan de keuze, de werving, en de kenmerken van de respondenten. Daarna wordt een beschrijving gegeven van het open interview. Het hoofdstuk wordt afgesloten met een beschrijving van de analyse van de interviews en een samenvatting.

5.2. Kwalitatief onderzoek
Om onze onderzoeksvraag te beantwoorden hebben wij een kwalitatief onderzoek gebruikt.
Volgens Baarda wordt met kwalitatief onderzoek bedoeld: “Onderzoek waarbij je overwegend gebruik maakt van gegevens van kwalitatieve aard en dat als doel heeft onderzoeksproblemen in of van situaties, gebeurtenissen en personen te beschrijven en interpreteren”.

Om twee redenen is er gekozen voor een kwalitatief onderzoek boven een kwantitatief onderzoek. Ten eerste is er weinig bekend over hoe de schuldhulpverlening aan ondernemers en ex-ondernemers wordt uitgevoerd en hoe deze wordt gefinancierd. Over het minnelijke traject van de schuldhulpverlening voor particulieren is veel bekend en er is veel onderzoek naar gedaan. Er is dus te weinig materiaal om een kwantitatief onderzoek op te baseren.
Ten tweede is de keuze voor een kwalitatief onderzoek bij het onderzoek het meest geschikt wanneer de respondenten moeilijker te benaderen zijn.

5.3. Respondenten

5.3.1. De keuze van respondenten
Om de doelstelling van het onderzoek te kunnen beantwoorden, hebben wij interviews afgenomen bij twee groepen respondenten. Allereerst is gebruik gemaakt van de ervaringen en opvattingen van de medewerkers bij een aantal gemeenten. Dit met als doel om te bekijken hoe de verschillende gemeenten (de financiering van) de schuldhulpverlening van (ex-) ondernemers hebben geregeld. De keuze voor de medewerkers bij diverse gemeenten ligt voor de hand, omdat de gemeenten het onderwerp is van de onderzoeksvragen. Bij de keuze voor de gemeenten speelden een aantal factoren een rol. De grootte van de gemeente speelde een rol, om een diversiteit van grote en kleinere gemeenten te kunnen onderzoeken.

Naast het afnemen van interviews bij gemeenten hebben we ervoor gekozen een aantal betrokken instanties te interviewen met als doel een zo compleet mogelijk beeld te krijgen van de schuldhulpverlening voor ondernemers en ex-ondernemers.
Een belangrijk verschil tussen de gemeenten en de betrokken instanties is dat bij de gemeenten gesproken is met beleidsmedewerkers en uitvoerders van de schuldhulpverlening wat tot gevolg heeft dat men “weet wat er in de praktijk speelt”, terwijl de betrokken instanties ieder vanuit een ander gezichtspunt naar de materie kijken en een breder overzicht hebben over de gehele schuldhulpverlening.

Gemeenten
Om de anonimiteit te waarborgen, hebben wij de gemeenten bij de resultaten en conclusies niet bij naam genoemd. De volgende gemeenten hebben we geïnterviewd: Alphen aan den Rijn, Amsterdam, Haarlem, ‘s – Hertogenbosch, Leiden, Nieuwerkerk aan den IJssel, Purmerend, Soest, Utrecht, Zeist.

Instanties
IMK, NVVK, Ondernemersklankbord, Raad voor Rechtsbijstand, Rechtbank Utrecht, SVO, Zelfstandigenloket Flevoland.

5.3.2. Werving van respondenten
Om de respondenten te stimuleren om mee te werken aan het onderzoek zijn er twee soorten brieven verstuurd. Bij een groot deel van alle respondenten van de gemeenten en instanties die we hebben onderzocht waren de contactpersonen van tevoren bekend.
In eerste instantie hebben we tien gemeenten en vijf instanties schriftelijk benaderd. Zoals in de brief vermeld hebben we na anderhalve week telefonisch contact opgenomen. Van de tien gemeenten hebben zeven gemeenten ingestemd met een interview. Van de instanties hebben er vier ingestemd met een interview. Ondanks dat een groot gedeelte van de benaderde gemeenten en instanties hebben ingestemd met een interview, vonden wij het totale aantal interviews nog te laag. Wij hebben daarom besloten om nog een aantal gemeenten te benaderen. In de tweede instantie hebben we zes gemeenten en twee instanties benaderd. Hiervan hebben vijf gemeenten en één instantie ingestemd met het maken van een afspraak. Wij hebben gemerkt dat het benaderen van respondenten en het plannen van gesprekken veel meer tijd heeft gekost dan we vooraf hadden gedacht. Vaak kregen wij niet meteen de goede persoon aan de telefoon, of diegene was niet aanwezig of in bespreking. Soms werd ons telefoonnummer opgeschreven, zodat de respondent ons kon terug bellen, maar niet altijd werd dit ook daadwerkelijk gedaan. Wij moesten veel bellen en terugbellen om uiteindelijk de afspraak te kunnen maken.

5.4. Interview
Om onze onderzoeksvragen te kunnen beantwoorden, hebben wij gebruik gemaakt van een combinatie van een halfgestructureerd interview en een expertinterview. Een kenmerk van een halfgestructureerd interview is dat de onderwerpen van tevoren vastliggen, wij hebben de respondent een topiclijst gestuurd. Hierdoor kon de respondent zich voorbereiden op het interview. Ook konden wij door middel van een topiclijst naar specifieke informatie vragen, zoals relevante cijfers. Het kenmerk van een halfgestructureerd interview is dat de vragen en antwoorden niet van te voren vastliggen. Zo kan de volgorde van de onderwerpen veranderen, als het gesprek daar aanleiding toe geeft, wel is van belang dat alle onderwerpen aan de orde komen.
Een kenmerk van een expertinterview is dat het daarbij gaat om het interviewen van personen die goed geïnformeerd zijn over bepaalde kwesties of situaties. Voor ons onderzoek was het van belang dat we specifieke informatie zouden krijgen van personen die gespecialiseerd zijn in schuldhulpverlening. Wij kunnen alleen de benodigde informatie verkrijgen door het interviewen van experts. In ons interview maakten we een enkele keer gebruik van een gesloten vraag, dit met het doel om een specifiek antwoord te krijgen, vaak hebben wij wel gevraagd dit antwoord toe te lichten.

Tijdens het interview hadden we een vaste rolverdeling, een persoon neemt het interview af,
de ander notuleert en werkt de aantekeningen uit. Hierdoor zorgden wij voor structuur en rust in het gesprek. Tijdens het interview maakten wij gebruik van een taperecorder en wij maakten aantekeningen. Direct na het interview werkten wij de registratie uit, zodat zo min mogelijk details werden overgeslagen. Ook bespraken wij na ieder interview de ervaringen en maakten we eventuele verbeterpunten voor een volgend interview. Zo hebben wij na de eerste interviews de volgorde van enkele vragen veranderd om het gesprek beter te laten verlopen. Wij hebben telkens een gedeeltelijk letterlijke uitwerking van het interview gemaakt. Wij hebben de opnames in eerste instantie bewaard, totdat we het onderzoek totaal hadden afgerond.

5.5. Analyse van de verkregen informatie uit de interviews
In deze paragraaf wordt beschreven hoe we de informatie uit de interviews hebben verwerkt tot resultaten. Allereerst hebben we na ieder interview, het interview uitgewerkt door het uitschrijven van de aantekeningen en het gesprek dat we hebben opgenomen met een taperecorder.
Als tweede stap hebben wij de informatie die niet relevant is voor het onderzoek weggehaald en de informatie opgesplitst naar onderwerp. Alle informatie die bij elkaar hoort, komt in een fragment te staan. Hierna hebben wij de informatie gegroepeerd per onderzoeksvraag.
Toen we alle informatie gesorteerd hadden op onderwerp en onderzoeksvraag, zijn wij gaan kijken welke antwoorden het meeste voorkomen.
Eerst hebben wij alle interviews van de gemeenten geanalyseerd. Hierna hebben wij de interviews van de instanties uitgewerkt en geanalyseerd. Nadat wij alle uitkomsten per onderzoeksvraag geselecteerd hadden, zijn wij begonnen met het beantwoorden van de diverse onderzoeksvragen. Uiteindelijk hebben wij met de antwoorden de probleemstelling kunnen beantwoorden door conclusies te trekken. Ten slotte hebben wij aanbevelingen geformuleerd.

5.6. Tot slot
In deze paragraaf zal een samenvatting gegeven worden van de belangrijkste onderwerpen uit het hoofdstuk. In dit hoofdstuk is beschreven hoe wij het onderzoek hebben opgezet en uitgevoerd. Om onze onderzoeksvragen te kunnen beantwoorden hebben we gebruik gemaakt van een combinatie van een halfgestructureerd interview en een expertinterview. De informatie uit de interviews hebben we stap voor stap geanalyseerd tot we uiteindelijk gekomen zijn tot de resultaten van het onderzoek. In het volgende hoofdstuk gaan we over tot het beschrijven van de resultaten die uit het onderzoek zijn voortgekomen.

Hoofdstuk 6:
Resultaten van het onderzoek

6.1. Inleiding
In dit hoofdstuk hebben wij de resultaten van ons onderzoek uitgewerkt. Wij geven antwoord op de vragen aan de hand van onze doelstellingen, die wij in hoofdstuk 1 hebben genoemd. Het antwoord op de vragen hebben wij verkregen door literatuurstudie, maar vooral door de interviews met deskundigen op het gebied van schuldhulpverlening.
In de loop van ons onderzoek hebben wij steeds meer kennis gekregen van de schuldhulpverlening in de verschillende gemeenten. Vooral het beleid, financiële draagkracht, kennis en de visie van de deskundige in de gemeente speelden een grote rol in ons onderzoek.

6.2. Schuldhulpverlening voor (ex-)ondernemers
Ex-ondernemers worden in vrijwel alle onderzochte gemeenten (9 van de 11) gelijk gesteld met particulieren. De ex-ondernemers volgen dan hetzelfde minnelijke traject als particulieren kunnen volgen. In alle gevallen wordt van de ex-ondernemer verlangd dat hij aan dezelfde voorwaarden voldoet, zoals het beschikken over een inkomen en duidelijkheid over de omvang van de schuldenlast. Ex-ondernemers moeten zijn uitgeschreven bij de Kamer van Koophandel en moeten de bedrijvigheid gestaakt hebben. In de helft van de gevallen stellen gemeenten alleen een Wsnp-verklaring op. Een van de respondenten geeft daarvoor als reden dat dit een eenvoudige en voor de gemeente goedkope oplossing is. Een verklaring afgeven voor de Wsnp is goedkoper dan het opzetten van een minnelijk traject. Enkele gemeenten geven een reden aan waarom zij ex-ondernemers niets aanbieden. Redenen zijn bijvoorbeeld dat de situatie relatief weinig voor komt en dat ex-ondernemers vaak te lang gewacht hebben voordat men hulp zocht en hebben de boekhouding niet op orde. Een andere reden is dat de deskundigheid niet in huis is om ex-ondernemers goed te kunnen helpen.

Voor ondernemers vindt het minnelijke schuldhulpverleningstraject niet bij de gemeenten plaats. De helft van de gemeenten stuurt ondernemers direct door naar een private schuldhulpverleningsinstantie. Een klein aantal gemeenten vergoedt de kosten die de ondernemer maakt wel. Dit onderwerp wordt verder besproken in de tweede onderzoeksvraag.
In één derde van de gemeenten wordt de ondernemer doorgestuurd naar een zelfstandigenloket (zie hieronder) of naar de Kamer van Koophandel. Vaak wordt er voor de ondernemer nog wel een Wsnp-verklaring afgegeven.

In Nederland is al een aantal zelfstandigenloketten opgezet, zoals het Zelfstandigenloket Flevoland (ZLF) in Lelystad en Zelfstandigenloket Noord-Holland in Zaandam. Een ander zelfstandigenloket is de Stichting Schuldhulpverlening voor Ondernemers (SVO). SVO regelt de schuldhulpverlening voor ondernemers in de hele provincie Friesland. Naast deze zelfstandigenloketten, worden er de komende jaren diverse loketten opgericht.

Stichting Ondernemersklankbord
Het Ondernemersklankbord (OKB) is een organisatie van 260 oud-ondernemers, managers en specialisten uit het bedrijfsleven die belangeloos hulp aan ondernemers uit het Midden- en Kleinbedrijf aanbieden. De stichting is onder de naam Kleinood een kwart eeuw geleden opgezet door oud-ondernemers en managers, om hun kennis en ervaring belangeloos ter beschikking te stellen aan middelgrote en kleinere ondernemingen. Uit een onderzoek blijkt dat “van alle ondernemingen die in 2002 door Ondernemersklankbord zijn geadviseerd, een jaar na advisering minder dan 20% failliet te zijn gegaan; hetgeen een continuïteitsratio van meer dan 80% betekent en betrekking heeft op ongeveer 8.700 banen.”
Het ondernemersklankbord wordt gesubsidieerd door het Ministerie van Economische Zaken en gesponsord door diverse bedrijven. De Kamer van Koophandel en diverse banken verwijzen ondernemers met financiële problemen naar het OKB. Het OKB heeft contacten met sommige zelfstandigenloketten en gemeenten, dit zijn vaak de gemeenten waar een Kamer van Koophandel gevestigd is.

Faillissement Preventie Project
Een aantal jaar geleden heeft het Ondernemersklankbord de faillissementskamer van de Arrondissementsrechtbank Utrecht benaderd met het aanbod om kosteloos te bemiddelen bij faillissementsaanvragen van bedrijven die bij nadere beschouwing nog wel enig perspectief op een succesvolle doorstart hebben. Dit aanbod werd door de Rechtbank Utrecht aanvaard. Terwijl de faillissementsaanvraag aanhangig is, zetten de onafhankelijke deskundigen van Ondernemersklankbord hun ervaring en inzichten in, om het betreffende bedrijf in die tijd snel door te lichten en de mogelijkheden voor een eventuele via een minnelijke schikking (alsnog) te onderzoeken. In een aantal gevallen bleek door bijvoorbeeld afslanking een succesvolle doorstart mogelijk. Na deze geslaagde pilot in het arrondissement Utrecht biedt de Stichting Ondernemersklankbord nu bij meerdere arrondissementen bemiddeling aan bij een dreigend faillissement.

6.3. Redenen of motieven om schuldhulpverlening niet te vergoeden voor (ex-)ondernemers
Wij kunnen de redenen en motieven van de onderzochte gemeenten verdelen in twee groepen.
Ten eerste is er een groot deel van de gemeenten die de kosten van de schuldhulpverlening niet vergoedt, omdat dit in de politiek of in het beleid zo is beslist.

“De rijksoverheid verstrekt geen geoormerkte gelden, de schuldhulpverlening moet worden betaald uit de algemene middelen. De gemeentelijke politiek beslist hoeveel geld er voor schuldhulpverlening beschikbaar is. Hierdoor komen er grote verschillen tussen gemeenten. Dit is een reden waarom wij niets doen voor zelfstandigen. “
“Vanuit de gemeente is hiervoor besloten om niet te vergoeden.”
“De gemeente vergoedt geen schuldhulpverlening die niet via de gemeente wordt uitgevoerd.”

Ten tweede geeft een deel van de ondervraagde gemeenten aan dat er vanuit een bepaalde visie besloten is de kosten niet te vergoeden.

“De gemeente is van mening dat als het bedrijf zelfstandig door kan gaan, de kosten voor schuldhulpverlening, uit het bedrijf betaald kunnen worden. Dit valt onder het bedrijfsrisico.”

6.4. Redenen of motieven om schuldhulpverlening wel te vergoeden
voor (ex-)ondernemers
Van de onderzochte gemeenten vergoedt ongeveer de helft (vijf gemeenten) de kosten van schuldhulpverlening, bij een private instelling aan de (ex)-ondernemer. Er zijn een aantal redenen waarom de kosten worden vergoed. Een aantal gemeenten vergoedt de kosten omdat de gemeente zelf de schuldhulpverlening niet kan uitvoeren. De deskundigheid is niet aanwezig bij de gemeenten, de dienstverlening van een adviesbureau kan dan een uitkomst bieden. Een respondent geeft als reden dat wanneer de gemeente voor de schuldhulpverlening van ondernemers personeel in dienst moet nemen, dit te onzeker is omdat personeelsbezetting kan wegvallen door ziekte of vakantie.

In de gemeenten die de kosten vergoeden, is er nog een onderscheid tussen het vergoeden van de kosten voor ondernemers en ex-ondernemers.
Sommige gemeenten vergoeden wel de kosten voor een ex-ondernemer, maar niet voor ondernemers, omdat dit bijvoorbeeld zou kunnen leiden tot concurrentievervalsing.

Ook zit er een verschil in de regelmaat van vergoeden van de kosten; enkele gemeenten schakelen alleen een bureau in als de gemeente er zelf niet uitkomt, in bijzonder moeilijke gevallen. Bij dergelijke, vaak kleinere gemeenten is er vaak geen beleid vastgesteld. Per situatie wordt dan besloten of de kosten voor de schuldhulpverlening vergoed worden aan de (ex-)ondernemer.
Voor andere, vaak grotere gemeenten, is er wel een beleid vastgelegd. In één gemeente, de gemeente Amsterdam is het recht op vergoeding van de kosten geregeld in een aparte verordening.

Een nadeel is dat een aantal gemeenten de kosten van een private organisatie voor schuldhulpverlening erg hoog vindt.

6.5. Kosten van schuldhulpverlening voor gemeenten
Wij hebben onderzocht of er een verband bestaat tussen de financiële draagkracht van de gemeenten en de keuze voor het wel of niet vergoeden van de schuldhulpverlening voor
(ex-)ondernemers. Om de financiële draagkracht te bepalen, hebben wij de respondenten gevraagd of het budget voor schuldhulpverlening op dit moment toereikend is. Allereerst zijn wij eerst nagegaan hoe de kosten voor de schuldhulpverlening worden betaald.
De kosten voor de schuldhulpverlening worden bij vrijwel alle gemeenten betaald uit de bijzondere bijstand, een minimabeleid of algemene middelen of een combinatie van deze middelen. Vaak is er geen apart budget voor schuldhulpverlening. In enkele gemeenten is er wel een apart budget voor schuldhulpverlening. De budgetten zijn in de helft van de gevallen toereikend. Enkele gemeenten geven aan dat de wachtlijsten niet zijn ontstaan door een ontoereikend budget. Een respondent geeft aan dat wachtlijsten niet alleen opgelost kunnen worden door een verhoging van het budget. Ook kunnen inefficiënt werkprocessen zorgen voor het ontstaan van wachtlijsten. Een andere respondent geeft aan dat gekeken moet worden wie de klant is van de schuldhulpverlening. Wachtlijsten ontstaan dan omdat klanten worden geholpen die niet gemotiveerd zijn en afhaken tijdens een traject. Deze klanten zorgen voor een langere wachtlijst.
In een aantal gemeenten is het budget niet toereikend. De gemeenten zouden extra geld willen gebruiken voor meer preventie van het ontstaan van schulden.

Een aantal gemeenten geeft aan geen wachtlijsten te hebben, maar schuldenaren ervaren dit vaak niet zo. In deze gevallen kan de aanvraag nog niet in behandeling genomen, omdat de nodige documenten ontbreken, de aanvraag loopt zo vertraging op.
Eén gemeente heeft zelfs twee wachtlijsten, één wachtlijst waarvan de papieren nog niet compleet zijn, en de papieren nog aangeleverd moeten worden door de schuldenaar en een andere wachtlijst, waarbij de papieren wel compleet zijn.

Uit ons onderzoek is gebleken dat er geen direct verband bestaat tussen de financiële draagkracht van een gemeente en de keuze om de kosten voor schuldhulpverlening van
(ex-)ondernemers te vergoeden. Een aantal respondenten zegt wel dat als de gemeente een groter budget voor schuldhulpverlening zou hebben gehad, de gemeente wel meer zou willen doen aan het ontwikkelen van schuldhulpverlening voor ondernemers.

SVO
De Stichting Schuldhulpverlening voor Ondernemers (SVO) is een pilotproject en krijgt subsidie van de drie ministeries (Ministerie van Economische Zaken, Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en Ministerie van Justitie). SVO regelt de schuldhulpverlening voor ondernemers in de hele provincie Friesland. De gemeentelijke kredietbanken in Friesland hebben het initiatief genomen tot het oprichten van SVO. Zij hebben het Instituut voor Midden- en Kleinbedrijf (IMK) benaderd om samen SVO op te richten. De subsidie van de ministeries is voor drie jaar vastgesteld, hierna eindigt de subsidie. De stichting SVO gaat zelfstandig werken, de gemeenten zullen gevraagd worden middelen af te dragen aan SVO, zodat de schuldhulpverlening op dezelfde manier wordt geregeld als voor particulieren. Op deze manier worden de kosten voor schuldhulpverlening gedekt door de gemeenten. Mochten de gemeenten de kosten niet willen dekken, dan is de stichting SVO niet levensvatbaar.

6.6. Aantal ondernemers in de gemeenten
Wij wilden onderzoeken of er een verband bestond tussen het aantal ondernemers (in verhouding tot het totale aantal inwoners van de gemeente) en de keuze voor de wijze van aanbieden van schuldhulpverlening aan ondernemers.
Dit bleek niet mogelijk om te onderzoeken, de gemeenten maken in hun administratie geen onderscheid tussen particulieren, ex-ondernemers en ondernemers.

Uit cijfers van het CBS werd duidelijk dat in 2004 in de sectoren landbouw en horeca aanzienlijk meer faillissementen werden uitgesproken dan in 2003, respectievelijk 48 % en
26 %. Het aantal faillissementen in de bouwnijverheid en de industrie daalden daarentegen met 10 % en 9 %.

6.7. Grootte van de gemeente
Een van onze onderzoeksvragen was om te onderzoeken of de grootte van de gemeente van invloed is op de wijze waarop gemeenten schuldhulpverlening aanbieden en uitvoeren.
Er bestaat een verband tussen de grootte van de gemeenten en de uitvoering van schuldhulpverlening, zeker betreft ondernemers.
Bij de kleinere gemeenten komt de problematiek van ondernemers in financiële problemen weinig voor; enkele gevallen per jaar. Doordat de problematiek zo weinig voorkomt, zijn de medewerkers van de sociale dienst weinig deskundig in de uitvoering van bijvoorbeeld de Bbz-regeling en ontstaat er ook geen interesse om voor ondernemers een traject op te zetten.

Een tweede reden die genoemd wordt, is dat het voor kleinere gemeenten efficiënter is om de schuldhulpverlening en de uitvoering van de Bbz-regeling uit te besteden aan grotere omliggende gemeenten. De problematiek komt zo weinig voor dat het uitbesteden een goede oplossing is voor de kleinere gemeenten. Het uitbesteden heeft ook als voordeel dat de afdelingen van die gemeenten groter zijn en niet zo beïnvloedbaar zijn door bezettingsproblemen. Kleine gemeenten hebben een probleem bij ziekte of een vakantieperiode, in deze gevallen is een afdeling te snel onderbezet.

6.8. Kennis en deskundigheid van gemeenten betreft schuldhulpverlening
Bij schuldhulpverlening voor (ex-)ondernemers is er om uiteenlopende redenen meer kennis nodig, bijvoorbeeld omdat de schulden ook uit de onderneming afkomstig zijn, zijn vaak de schulden ingewikkelder, bijvoorbeeld een belastingschuld of een schuld bij het UWV.
Het niveau van de kennis hangt sterk af van hoe de gemeente de uitvoering van schuldhulpverlening heeft ingevuld. Bij de meerderheid ontbreekt de kennis over schuldhulpverlening voor (ex-)ondernemers geheel en kunnen alleen particulieren en ex-ondernemers zonder schulden uit het bedrijf geholpen worden.
Toch wordt er in een aantal gemeenten naar een oplossing gezocht om (ex-)ondernemers op een passende manier te helpen.

In één gemeente wordt de schuldhulpverlening gedetacheerd, dus wordt er een extern bureau ingehuurd. De respondent heeft zelf een cursus schuldhulpverlening voor ex-ondernemers gevolgd , maar de ervaring ontbreekt nog om daadwerkelijk met deze doelgroep aan het werk te gaan.
Eén gemeente laat de hele schuldbemiddeling over aan een kredietbank en het maatschappelijk werk verzorgde fase 1 van het NVVK traject en de afgifte van de verklaring ex. art. 285 Fw.
In drie van de geïnterviewde gemeenten wordt er samengewerkt met een zelfstandigenloket. Hierdoor wordt de kennis voor schuldhulpverlening voor (ex-)ondernemers gebundeld en gecentraliseerd. Bij de gemeenten zelf is dan de kennis niet meer nodig.
De zelfstandigenloketten zijn nog maar kort geleden opgezet, maar de eerste ervaringen vanuit het werkveld waren positief.
In veel gemeenten wordt de schuldhulpverlening deels door algemeen maatschappelijk werk verzorgt, waardoor de kennis over de schuldhulpverlening voor ondernemers ontbreekt. Hierdoor kunnen de ondernemers niet geholpen worden. De grootte van de gemeente is bij drie van de vier grote gemeenten niet van invloed. De kennis ontbreekt geheel bij deze drie gemeenten.
In sommige gevallen worden er externe bureaus die gespecialiseerd zijn in schuldhulpverlening voor (ex-)ondernemers ingeschakeld. Twee gemeenten hebben een overeenkomst met een externe instantie. Bij de overige gemeenten wordt hier sporadisch gebruik van gemaakt.

Bij vrijwel alle gemeenten hebben de medewerkers een interne en externe opleiding gevolgd, bijvoorbeeld door Westerbeek of Allegro. De opleiding is gericht op particulieren. Een aantal gemeenten heeft en aantal medewerkers een cursus laten volgen, voornamelijk voor schuldhulpverlening voor ex-ondernemers.

In de handreiking van Landelijk Platform Integrale Schuldhulpverlening wordt beschreven dat de schuldhulpverlener zowel materieel als immaterieel de kennis moet hebben: “Het materiële aspect betreft het ordenen van financiën, het op orde brengen van inkomen en specifieke technieken, zoals de berekening van het ‘vrij te laten bedrag’. Op het immateriële vlak gaat het om het herkennen van de onderliggende problematiek, de bejegening van de klant en het omgaan met agressie. Een schuldhulpverlener in brede zin doet de intake, de budgetbegeleiding en de schuldregeling. Dit vereist een hbo werk- en denkniveau.
Mogelijke vooropleidingen zijn Hbo-MWD (Maatschappelijk Werk en Dienstverlening) of Hbo-SJD (Sociaal Juridische Dienstverlening).”

Controle door de NVVK
Het lidmaatschap van de NVVK is voor gemeenten en instanties een keurmerk. Crediteuren werken eerder aan een schuldregeling mee als een gemeente of instantie aangesloten is bij de NVVK.
Er is nog geen controle op de kwaliteit van de schuldhulpverlening maar dat wil de NVVK wel graag. De NVVK wil graag een certificering, en audits , zodat de NVVK een externe controle heeft. De invoering van dit plan, kwaliteitsbewaking, is in principe gepland voor 2006.
Soms krijgt de NVVK reacties van schuldeisers, over welke leden het wel en niet goed doen. Nu kan de NVVK hier nog niet veel mee doen, dit verandert als de kwaliteitsbewaking wordt ingevoerd.

6.9. Visie op de schuldhulpverlening
Wij hebben de verschillende gemeenten gevraagd naar hun visie op de schuldhulpverlening in de eigen gemeente en op de landelijke schuldhulpverlening. Ook hebben wij aan de instanties de vraag voorgelegd hoe de landelijke schuldhulpverlening verbeterd kan worden. De opmerkingen van de respondenten hebben wij per onderwerp gegroepeerd.

NVVK
Landelijk komen er steeds meer mensen met een onoplosbare schuldensituatie, door bijvoorbeeld boetes en huurschulden. Veel gemeenten zijn tevreden met de nieuwe gedragscode van de NVVK en met de rol die de NVVK heeft ten aanzien van het landelijke beleid van de schuldhulpverlening. Veel gemeenten vinden het jammer dat het slagingspercentage sterk verlaagd is na inwerkingtreding van de nieuwe gedragscode. Veel gemeenten zouden willen zien dat schuldeisers die het minnelijke traject frustreren, door nooit akkoord te gaan met een minnelijke regeling, worden aangepakt. Eén gemeente oppert het idee dat schuldeisers zouden moeten motiveren waarom ze niet akkoord gaan met een minnelijk traject. Deze verplichting zou eventueel in de wet moeten worden vastgelegd om naleving van deze regel te garanderen.
Een andere gemeente ziet een probleem als mensen geen problematische schuldensituatie hebben. Zij komen niet in aanmerking voor een minnelijke regeling volgens de NVVK-methode.

Een aantal instanties is van mening dat de schuldhulpverlening zakelijk moet worden ingericht. De schuldenaar moet op een zakelijke manier benaderd worden. Wordt bijvoorbeeld een afspraak niet nagekomen dan kan bijvoorbeeld de aanvraag voor schuldhulpverlening direct worden afgewezen. Op dit moment kijken sommige schuldhulpverlenende instanties teveel naar de situatie van de schuldenaar en leven zich te weinig in de situatie van de schuldeiser in. Schuldenaren krijgen vaak een tweede, derde of nog vaker de kans om de afspraak na te komen.

Volgens een instantie zou schuldhulpverlening landelijk geregeld moeten worden, zodat er een beleid is. Volgens de meerderheid van de instanties duurt de procedure te lang. De schuldhulpverlening zou sneller geregeld moeten worden en er moet beter worden samengewerkt.

Zelfstandigenloket
Er is onvoldoende landelijk beleid m.b.t. ondernemers in een schuldensituatie. Het aanbod aan schuldhulpverlening voor ondernemers zou duidelijker moeten zijn. De schuldhulpverlening voor ondernemers verdient aandacht binnen de gemeente. Een aantal gemeenten geeft aan dat de Bbz-regeling onderbenut wordt. Ook wordt geconstateerd dat ondernemers te laat bij de gemeente aankloppen voor een Bbz-regeling. Door een betere bekendheid van de regeling zou dit eventueel verbeterd kunnen worden. De regionale uitvoering van de Bbz in de zelfstandigenloketten wordt als een goede oplossing beschouwd.
De ontwikkeling van zelfstandigenloketten wordt door enkele gemeenten genoemd als een goede ontwikkeling. Voor veel kleine gemeenten die geen goede schuldhulpverlening voor ondernemers aan kunnen bieden, is de ontwikkeling van zelfstandigenloketten een oplossing. Het Zelfstandigenloket Flevoland (ZLF) heeft gemerkt dat de aanvragen voor de Bbz sterk zijn toegenomen na hun oprichting. Het ZLF heeft een kennisplatform opgericht om te kunnen overleggen met andere gemeenten die een zelfstandigenloket willen oprichten. Op dit moment worden er in diverse delen van het land zelfstandigenloketten opgericht, waaronder het zelfstandigenloket Noord-Holland.

Private instanties
Een gemeente is van mening dat schuldhulpverlening, zeker die voor (ex-)ondernemers, beter moet kunnen. Bureaus uit de private sector zouden dit van gemeenten over kunnen nemen. De gemeente is vertrouwd met de manier van werken zoals het nu binnen deze gemeente geregeld is. Een private instantie zou een verbetering kunnen zijn, omdat deze instanties gespecialiseerd zijn in schuldhulpverlening van (ex-)ondernemers. Eén gemeente is tot nu toe van mening dat zij niet weet wat zij kan verwachten aan kwaliteit van private instanties.

Wetswijziging van de Wsnp
Een aantal respondenten vindt dat de toelating tot de Wsnp door de wetswijziging strenger wordt. Er zullen steeds meer mensen komen die niet toegelaten kunnen worden tot de Wsnp. Ook vinden de respondenten dat er een zwaardere taak komt voor de gemeenten. Eén gemeente ziet de wetswijziging van de Wsnp niet als een oplossing het groeiend aantal toelatingen tot de Wsnp. Er zullen volgens deze gemeente steeds meer mensen buiten de boot vallen. Voor deze mensen is er geen oplossing behalve in beroep gaan tegen de afwijzing van het verzoek tot toepassing van de Wsnp. In het beleid van een gemeente is vastgelegd dat mensen een jaar niet welkom zijn, na het mislukken van een minnelijk traject. Meerdere keren een minnelijk traject proberen is geen oplossing.

Een gemeente geeft aan, het te betreuren dat er in hun gemeente geen begeleiding plaatsvindt tijdens de Wsnp-regeling. Zo vindt er geen gedragsverandering plaats die wel nodig is om het ontstaan van nieuwe problemen en nieuwe schulden te voorkomen.

Enkele instanties vinden dat er een langere afkoelingperiode moet worden ingevoerd, waardoor bedrijven de schuldhulpverlening kunnen opstarten zonder dat de schuldenaar in een faillissement terecht komt. De toegang tot de Wsnp zou strenger moeten worden, dit zet een grotere druk om een goede minnelijke regeling op te zetten. De Wsnp is nu “populairder” voor schuldeisers dan een minnelijk traject, hoewel dit onterecht is omdat een Wsnp vaak minder oplevert voor een schuldeiser. De schuldeisers kiezen liever voor Wsnp dan een minnelijk traject, en werken vaak niet mee aan dit minnelijke traject.

Hoofdstuk 7:
Conclusies & aanbevelingen

7.1. Inleiding
Door ons onderzoek uit te voeren, hebben wij antwoord proberen te krijgen op de vraag: “Waarom zijn er verschillen per gemeente in de wijze waarop het schuldhulpverleningstraject aan (ex-)ondernemers wordt aangeboden?”. Wij hebben in kaart gebracht op welke wijze schuldhulpverlening wordt aangeboden. Dit zowel op financieel gebied als op organisatorisch gebied. Wij hebben verschillende doelen bereikt, zo hebben wij meer inzicht gekregen over de wijze van schuldhulpverlening bij gemeenten en over de verschillen in de schuldhulpverlening voor particulieren en (ex-)ondernemers. Tevens hebben wij een antwoord gekregen op onze onderzoeksvragen betreffende de visie over schuldhulpverlening en de redenen en motieven voor een gemeente om wel of niet te vergoeden.

7.2. Conclusies
Uit ons onderzoek blijkt dat bij veel gemeenten vrijwel niets is geregeld op het gebied van schuldhulpverlening voor ex-ondernemers en ondernemers. Toch is er een duidelijk verschil per gemeente in het aanbieden van schuldhulpverlening voor ex-ondernemers en ondernemers. De reden waarom er verschillen bestaan tussen de diverse onderzochte gemeenten, kunnen worden verdeeld in drie groepen, namelijk de grootte van de gemeente, de deskundigheid en het beleid.

Ex-ondernemers
De deskundigheid voor schuldhulpverlening voor ex-ondernemers is bij de meeste gemeenten niet aanwezig. De schuldenproblematiek is te ingewikkeld en de gemeenten weten niet wat ze met de bedrijfsgegevens moeten doen. Ook is de schuldenlast hoger dan gemiddeld en is er een relatief hoog aantal crediteuren, waardoor de onderhandelingen moeilijk zijn. De ex-ondernemers volgen in de meeste gemeenten hetzelfde minnelijke traject als de particulieren. De gemeenten maken dus geen onderscheid tussen ex-ondernemers en andere particulieren, terwijl de schuldensituatie en de achtergrond van de schulden heel verschillend is. Bij een aantal gemeenten wordt voor ex-ondernemers alleen een ex. art. 285 Fw-verklaring opgesteld.

Ondernemers
Ondernemers worden in de helft van de gevallen doorverwezen naar een private schuldhulpverleningsinstantie, die gespecialiseerd is in schuldhulpverlening voor ondernemers. In de andere gevallen wordt de ondernemer doorverwezen naar de Kamer van Koophandel of er wordt nee verkocht. Wel is er een goede wil bij diverse gemeenten om de schuldhulpverlening te verbeteren.

Grootte van de gemeente
De grootte van de gemeente heeft veel invloed op de wijze waarop de schuldhulpverlening wordt uitgevoerd. In kleine gemeente is de problematiek veel minder dan in de grote gemeente. Doordat de medewerkers van de gemeente maar enkele keren per jaar worden geconfronteerd met een (ex-)ondernemer in financiële problemen, zijn zij vaak weinig deskundig in de uitvoering van de schuldhulpverlening of de Bbz-regeling. Tevens is het voor kleinere gemeenten efficiënter en goedkoper is om de schuldhulpverlening en de uitvoering van de Bbz-regeling uit te besteden aan grotere omliggende gemeenten.

Deskundigheid
De deskundigheid over schuldhulpverlening voor (ex)ondernemers verschilt erg in de diverse gemeenten. Het niveau hangt sterk af van hoe de gemeente de uitvoering van schuldhulpverlening heeft ingevuld. Bij de meerderheid ontbreekt de kennis over schuldhulpverlening voor (ex-)ondernemers geheel en kunnen alleen particulieren en ex-ondernemers zonder schulden uit het bedrijf geholpen worden. Bij andere gemeenten wordt samengewerkt met zelfstandige loketten waar de deskundigheid wel aanwezig is.

Beleid
Het beleid is in veel gemeenten niet duidelijk vastgelegd. Dit komt vaak doordat gemeenten niet weten hoe ze met (ex-)ondernemers om moeten gaan. Ook hierbij speelt de kennis en grootte van de gemeente een rol. Bij de kleine gemeenten hebben ze geen beleid omdat ze het probleem niet of nauwelijks kennen. In sommige gemeenten is er geen beleid omdat de deskundigheid er niet is en daarom niets is geregeld.

7.3. Aanbevelingen
Met onze aanbevelingen willen wij de gemeenten, ministeries en instanties stimuleren om hun schuldhulpverlening voor (ex-)ondernemers te verbeteren.

7.3.1. Preventie en voorlichting
Voor ondernemers is het van belang dat zij in een vroeg stadium zich melden met schulden. De Kamer van Koophandel zou zich meer kunnen profileren als een organisatie waar de ondernemer met problemen antwoord kan krijgen op zijn vragen. De Kamer van Koophandel is een vertrouwd adres voor ondernemers, doordat de ondernemer ook voor een aantal registratieverplichtingen naar dit adres moet. Een andere oplossing zou kunnen zijn om de zelfstandigenloketten te profileren als een organisatie waar men voor vragen terecht kan.
De zelfstandigenloketten moeten dit duidelijk kenbaar maken aan de ondernemers door de naamsbekendheid te verbeteren en ondernemers voor te lichten.
Ook voorlichting door de gemeenten zou een oplossing zijn; wij zien het als een taak van de gemeenten om de ondernemers voor te lichten en te informeren over waar deze doelgroep terecht zou kunnen voor schuldhulpverlening. Uit ons onderzoek blijkt dat volgens gemeenten de ondernemer vaak niet weet waar hij terecht kan als er een dreigende schuldensituatie ontstaat. Ook melden ondernemers met schulden zich vaak te laat bij een instantie. Door voorlichting te geven, zullen ondernemers in een problematische schuldensituatie zich eerder melden.

7.3.2. Deskundigheid
Gemeenten kunnen toenadering zoeken tot verschillende omliggende gemeenten om zo de deskundigheid, die bij de verschillende gemeenten aanwezig is, te verenigen. Door het oprichten van zelfstandigenloketten wordt de deskundigheid van gemeenten gebundeld om de ondernemers beter te kunnen helpen. Indien er geen oplossing gevonden kan worden voor een (ex-)ondernemers, omdat de deskundigheid niet aanwezig is, moet het bekend zijn naar welke instelling de (ex-)ondernemer kan worden doorverwezen.
Een voorwaarde bij het doorverwijzen is dat de instelling gespecialiseerd is in schuldhulpverlening voor (ex-)ondernemers. Een oplossing zou kunnen zijn om een extern bureau in te huren. Vaak vindt de gemeente de kosten van een extern bureau te hoog, waardoor de gemeente de (ex-)ondernemer niet door verwijst.
Indien het budget het niet toelaat om deze instellingen in te huren, kan de gemeente de ondernemers doorverwijzen naar het Ondernemersklankbord. Zij kunnen voor een laag tarief ondernemers helpen en adviseren. Het Ondernemersklankbord is een organisatie die ondernemers met financiële problemen kan begeleiden. Ook het Ondernemersklankbord constateert dat de ondernemers zich te laat melden. Omdat het Ondernemersklankbord geen middelen heeft om te investeren in naamsbekendheid, zou de overheid hierin moeten bijdragen.

7.3.3. Kwaliteit
De kwaliteit van schuldhulpverlening ten behoeve van (ex-)ondernemers binnen de gemeente kan gewaarborgd worden als alle instanties en gemeenten zich aansluiten bij de NVVK. Op deze manier wordt er een keurmerk afgegeven dat de kwaliteit zou moeten waarborgen. Zo werkt elke schuldhulpverleningsinstantie volgens dezelfde werkwijze, namelijk de gedragscode van het NVVK.
Op dit moment wordt er geen direct toezicht gehouden door de NVVK waardoor de kwaliteit niet gegarandeerd kan worden. De NVVK zal veranderingen moeten ondergaan om deze kwaliteit te waarborgen. In 2006 hoopt de NVVK de kwaliteit van ingeschreven instellingen te kunnen controleren. In de toekomst zal de NVVK mogelijk wel controles gaan uitoefenen. Indien het NVVK-lid niet aan de eisen voldoet, kan men een waarschuwing krijgen en uiteindelijk het lidmaatschap van de NVVK kwijtraken.

7.3.4. Beleid
Een aanbeveling aan een overkoepelende organisatie (zoals de NVVK of Landelijk Platform Integrale Schuldhulpverlening) is om een sociale kaart te ontwerpen, waarin verschillende instanties staan beschreven. Hierbij valt te denken aan de Kamer van Koophandel, Ondernemersklankbord en regionale zelfstandigenloketten.
Deze sociale kaart moet bij elke gemeente en elke instelling die te maken heeft met personen in een schuldsituatie aanwezig zijn. Zo kan men deze mensen goed door verwijzen en zal het niet meer voorkomen dat deze mensen niet geholpen worden.

De Kamer van Koophandel dient meer bekendheid te geven aan de Bbz-regeling. De Kamer van Koophandel is op dit moment al een organisatie die veel informatie verstrekt aan ondernemers en kan die ondernemers ook makkelijk bereiken. Ondernemers wachten vaak te lang met hulp vragen als ze in de schulden dreigen te raken. Ook de gemeenten kunnen hieraan een bijdrage leveren door deze regeling duidelijk te maken aan de ondernemers. Dit kan via bijeenkomsten, spreekuren en folders. Zo kan de drempel voor de ondernemer worden verlaagd om hulp te vragen met als bedoeld gevolg dat de ondernemer eerder om hulp vraagt.

Een ander belangrijke instantie bij het ontwikkelen van beleid is het Landelijk Platform Integrale Schuldhulpverlening. De handreiking van het Landelijk Platform Integrale Schuldhulpverlening geeft een leidraad aan hoe de gemeenten de schuldhulpverlening zouden kunnen organiseren, afhankelijk van de gemeentegrootte. Onze aanbeveling voor gemeenten is om bij het ontwikkelen van beleid, de richtlijnen uit de handreiking als uitgangspunt te nemen. Zo zal de kwaliteit van de schuldhulpverlening in gemeente van dezelfde grootte op gelijk niveau komen.
De landelijke overheid, voornamelijk het ministerie van Economische Zaken, zou druk kunnen zetten op gemeenten om hun schuldhulpverlening voor (ex-)ondernemers te verbeteren en gemeentelijk beleid te ontwikkelen voor dit onderwerp. Het ministerie is al betrokken bij de schuldhulpverlening door het Ondernemersklankbord te subsidiëren. Op deze manier zou gestimuleerd kunnen worden dat ondernemers hetzelfde moeten worden behandeld als particulieren.

7.4. Tot slot
Vanuit onze visie is de optimale situatie als in heel Nederland de schuldhulpverlening voor (ex-)ondernemers op gelijke wijze wordt geregeld. Zo wordt er voorkomen dat een
(ex-)ondernemer die in de ene gemeente woont wel wordt geholpen en in een andere gemeente niet. Met onze aanbevelingen willen wij de gemeenten, ministeries en instanties stimuleren om hun schuldhulpverlening voor (ex-)ondernemers te verbeteren.

Begrippenlijst

Bewindvoerders
Door de rechter benoemde personen, die erop toezien dat de schuldenaar de verplichtingen naleeft die voortkomen uit de wettelijke schuldsaneringsregeling. Zij beheren en vereffenen de boedel van de schuldenaar en zijn belast met de uitvoering van het saneringsplan.

Budgetbegeleiding
Het begeleiden van een of meer personen in het verkrijgen van inzicht in de inkomsten en uitgaven, het voeren van een overzichtelijke administratie, en het afstemmen van de uitgaven op het beschikbare budget, zodanig dat de schulden kunnen worden afgelost en/of in de toekomst geen (nieuwe) schulden ontstaan.
Budgetbegeleiding kan in de vorm van (advies)gesprekken, trainingen of cursussen

Budgetbeheer
Budgetbeheer is het beheren van het inkomen van de schuldenaar door het openen van een rekening, bij kredietbank of andere instantie, waarop de inkomsten worden gestort en waarvan uitgaven worden gedaan. Er zijn verschillende vormen van budgetbeheer, van licht (een aantal vaste lasten worden betaald) tot volledig (alle lasten worden betaald en de schuldenaar ontvangt leefbudget).
Afhankelijk van de situatie van de schuldenaar ontvangt deze week- of maandgeld.
Budgetbeheer is alleen een administratief-technische activiteit.

Ex-ondernemer
Een ondernemer die zijn eigen bedrijf heeft beëindigd en uitgeschreven is bij de Kamer van Koophandel. Vaak wordt bij schuldhulpverlening een ondernemer na beëindiging van het bedrijf nog vijf jaar gezien als ex-ondernemer. Tevens moeten er schulden zijn uit de beëindigde onderneming.

120 dagenmodel
De verificatieperiode, waarin de definitieve vaststelling van het schuldprobleem plaatsvindt, uitstel van betaling bij de schuldeisers wordt verzocht en direct wordt bemiddeld bij dreigende schulden (ontruiming, verkoop, faillissementsaanvragen).

Intake
Het doel van een intake is goed inzicht te krijgen in de financiële situatie van de schuldenaar en nadrukkelijk daarbij de eventuele samenhang met immateriële problemen te onderzoeken. Tevens wordt onderzocht of de schuldenaar voldoende gemotiveerd is om een schuldhulpverleningstraject in te gaan. Een intake resulteert in een inventarisatie van de schulden, een (globale) berekening van de afloscapaciteit, een inschatting van psychosociale omstandigheden en een plan voor een schuldhulpverleningstraject.

Ondernemer
Een persoon die zijn onderneming heeft ingeschreven bij de Kamer van Koophandel.
Met ‘ondernemer’ bedoelen wij de kleine ondernemer; dit betreft overwegend zelfstandigen die hun onderneming drijven in de vorm van een eenmanszaak of een VOF en geen of hooguit enkele personeelsleden in dienst hebben.

Preferentie en concurrente schuldeisers
Preferente schuldeisers hebben een wettelijk voorrecht boven andere schuldeisers, bijvoorbeeld de belastingdienst. Dit onderscheid is van belang omdat schuldeisers met een wettelijke preferentie in een akkoord een twee keer zo hoge uitkering aangeboden krijgen als de niet preferente schuldeisers

Psychosociale problemen
Vaak speelt bij een problematische schuldenaar achterliggende problemen op verschillende leefgebieden. Het gaat hier bijvoorbeeld om problemen die worden veroorzaakt door een echtscheiding, ziekte, ontslag, arbeidsongeschiktheid of verslaving.

Schuldbemiddeling
Een schuldbemiddeling is het (volledig) oplossen van een (problematische) schuldsituatie door het bemiddelen tot een regeling met de schuldeisers, met als basis de beschikbare aflossingscapaciteit van de schuldenaar. Bij een bemiddeling is het totaalbedrag dat ter beschikking komt, gelijk aan de aflossingscapaciteit maal het aantal maanden dat de regeling gaat lopen: doorgaans 36 maanden.

Schuldregeling
Het geheel van activiteiten in het kader van het regelen van schulden. Schuldregeling is een verzamelnaam en omvat schuldbemiddeling en/of schuldsanering.
Een schuldregeling begint met het verifiëren van de schulden (op basis van het schuldenoverzicht dat de schuldenaar heeft geleverd), het berekenen van de (definitieve) afloscapaciteit en het doen van een aanbod aan de schuldeisers. De schuldregeling eindigt met een akkoord dan wel een definitieve afwijzing door een of meerdere schuldeisers.

Schuldsanering
Een schuldsanering is het (volledig) oplossen van een (problematische) schuldsituatie door het verstrekken van een saneringskrediet, meestal door de gemeentelijke kredietbank. Het netto bedrag dat via een saneringskrediet ter beschikking komt, is afhankelijk van de aflossingscapaciteit, de aflossingsperiode en de rente die betaald moet worden.

Verklaring ex art. 285 Fw
De verklaring ex art. 285 Fw (ook wel Wsnp-verklaring) is de verklaring van de gemeente dat een minnelijke regeling niet mogelijk is.
De gemeente is verantwoordelijk voor de afgifte hiervan, maar kan de afgifte mandateren aan een door haar gecontroleerde instantie.

Het vrij te laten bedrag
Dit is het deel van het inkomen dat de schuldenaar nodig heeft voor levensonderhoud van zichzelf en eventuele afhankelijke gezinsleden en voor het verwerven van inkomsten. Eerst wordt het vrij te laten bedrag volgens art. 475d Rv. berekend: dit zijn de wettelijke bepalingen. De basis van het van het vrij te laten bedrag wordt op 90% van de toepasselijke WWB-norm gesteld. Daarnaast kan dit bedrag worden verhoogd voor noodzakelijke kosten die niet uit de WWB kunnen worden betaald, de zogenoemde correcties. Voor woonlasten en de premie voor de ziektekostenverzekering worden hierbij opgeteld. Het subtotaal van deze posten is de beslagvrije volgens art. 475d Rv. Daarnaast mag een nominaal bedrag bij de beslagvrije voet worden opgeteld. Dit bedrag wordt bepaald volgens de zogenoemde correcties van de NVVK methode. Correcties zijn mogelijk voor onder andere studie, auto (indien noodzakelijk voor werk), kinderopvang en ziektekosten.

Literatuur

Boeken

Engbersen G., Vrooman J.C. en Snel E., Armoede en verzorgingsstaat, vierde jaarrapport armoede en sociale uitsluiting. Amsterdam, Amsterdam University Press,1999

Engbersen G., Vrooman J.C. en Snel E., Balans van het armoedebeleid, vijfde jaarrapport armoede en sociale uitsluiting. Amsterdam, Amsterdam University Press, 2000

Gemeente Zeist, Jaarverslag 2004

Greef, M.H.G. de, Het oplossen van problematische schulden. Een analyse van de invloed van hulpverlening, interorganisationele samenwerking en huishoudkenmerken op
de effectiviteit van schuldregelingen, Groningen, 1992

Huls, N.J.H., V. Schellekens, Je ziet de gaten in hun handen’; de eerste ervaringen van rechtbanken en gerechtshoven met toepassing van de Wsnp, Utrecht, Uitgeverij Lemma bv, 2001

Janssen, J., A. Kersten, H.J.J.M. Vermeulen, Problematische schulden; zicht op het onzichtbare
Den Haag, Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, 1999

Janssen mr L. , Procesrecht en faillissementsrecht. Utrecht, Uitgeverij Lemma bv. , 2003

Martens mr F.L., Schruer mr. H.D.L.M., Schuld of geen schuld. ’s-Gravenhage, Elsevier bedrijfsinformatie bv, 2002

Uitvoeringsmonitor Amsterdam, Schuldhulpverlening 2003, Omarm Amsterdam

Tijdschriften

Putten van Bert en Hak Anne-Wil, Hoe blijft schuldhulpverlening betaalbaar?. Sociaal bestek, oktober 2004, p. 10-13.

Internet

Bronkhorst Sylvia, WSNP OK?, juni 2000, http://www.wsnp.rvr.org/bibliotheek/data/ondstu/wsnpok.htm, 26 november 2004

WWB nieuwsbrief, Presentatie handreiking Integrale Schuldhulpverlening
tijdens regionale bijeenkomsten, 31 augustus 2004, http://docs.minszw.nl/pdf/98/2004/98_2004_1_7434.pdf, 26 november 2004

van Raak Harry, Schep Gerrit-Jan, Integrale schuldhulpverlening, Handreiking voor gemeenten en uitvoerende instanties, september 2004 http://www.mogroep.nl/content/files/PS_WMD_Handreiking_Schuldhulpverlening.pdf
26 november 2004

WWB nieuwsbrief, Plussen en minnen van de verdeelsystematiek, 15 oktober 2004, http://docs.minszw.nl/pdf/98/2004/98_2004_1_7888.pdf , 26 november 2004

WWB nieuwsbrief, Sleutelen aan de verdeelsystematiek, 15 oktober 2004, http://docs.minszw.nl/pdf/98/2004/98_2004_1_7888.pdf , 26 november 2004

Gemeentelijke schuldhulpverlening 1999: onderzoek naar beleid, instrumenten en organisatie m.b.t. (integrale) schuldhulpverlening bij 89 gemeenten, 2000, http://www.schuldregelen.nl, 26 november 2004

Wetsevaluatie Wsnp, oktober 2001, Ministerie van Justitie, WODC, www.wsnp.org, 15 januari 2004,

Tris Serial, IVA beleidsonderzoek en advies, Schulden: een (on)dragelijke last?, www.wsnp.rvr.org, juni 2004

NVVK, Jaarverslag 2004, Almere, www.volkskrediet.nl, 12 april 2005

Eijgelaar, P. , Feikens, J. , De helpende hand, Effectiviteit adviezen Ondernemersklankbord aan het MKB, Groningen (2003), www.ondernemersklankbord.nl

 
Schulden voorkomen
 
Tip 1
Schrijf alle inkomsten en uitgaven op
 
Tip 2
Berg alle belangrijke papieren zorgvuldig op
 
Tip 3
Maak een maandbegroting en een jaarbegroting
 
Tip 4
Onderneem actie als u schulden hebt!
 
Tip 5
Praat over uw schuld problemen en vraag om advies.
 
BKR codering?
     
 
     
 

Copyright © 2007 - 2008 - Alle rechten voorbehouden