Wilt u gratis en vrijblijvend advies over geld lenen?
Goedkoop geld lenen? Vergelijk & kies zelf!
 
 
I
I
I
I
I
I
I
I
I
 
     
 
Wist u dat?

Wist u dat Nederlanders weer verder in het rood staan?

Wist u dat het BKR meer aanvragen krijgt?

Wist u dat meer dan de helft van alle zelfstandige ondernemers ooit met problematische schulden te maken krijgt?

Wist u dat de IB-groep steeds meer leningen verstrekt?

 
Verhalen

"Drie jaar geleden ging ik failliet. Schuldhulpverlening hielp me al mijn schulden te bundelen en regelde met mij een haalbaar afbetalings plan. Ik heb nog één jaar te gaan maar weet nu al dat ik er door kom. Voor nieuwe kleren en meubels kon ik terecht in een kringloopcentrum."

(Alain, 28)

 
 
Bijzondere bijstand schulden

1. Inleiding/samenvatting

Uitgangspunt van de WWB is dat in beginsel geen bijstand wordt verleend voor het betalen van schulden. Hierop bestaan echter wel uitzonderingen. Zo kan het college bijstand in de vorm van een borgtocht verlenen, als deze noodzakelijk is voor het tot stand komen van een schuldsaneringskrediet. Ook kan het college wegens zeer dringende redenen besluiten toch bijstand te verlenen. De vorm van de bijstand is daarbij ter beoordeling van het college.

De Wet schuldsanering natuurlijke personen voorziet in een driejarig traject waarbij de schuldenaar in drie jaar tijd van zijn schulden af kan komen. Van belang is dat de schuldenaar bij het ontstaan en het voortbestaan van de schulden te goeder trouw is geweest.

 
Magazine
Advertentie

 

 

Alvorens het wettelijke traject kan ingaan dient de schuldenaar eerst geprobeerd te hebben langs minnelijke weg zijn schulden te saneren. Het gemeentelijke beleid inzake de verlening van bijzondere bijstand voor kosten van schuldsanering is opgenomen in onderdeel 2.6 van deze paragraaf.

Sommige gemeenten verlenen bijzondere bijstand in de vorm van suppletie op de aflossingen van belanghebbende. Op deze wijze worden de mogelijkheden van belanghebbende om door middel van een lening zelf te voorzien in kosten van bepaalde aanschaffingen verruimd.

2. Bijzondere bijstand voor schulden/schuldhulpverlening

2.1 Hoofdregel: geen bijstand voor schulden

Hoofdregel is dat in beginsel geen bijstand wordt verleend ter gedeeltelijke of volledige aflossing van een schuldenlast. De kosten die de afbetaling van schulden betreffen, kunnen in het algemeen niet worden aangemerkt als noodzakelijke bestaanskosten.

De overheid biedt via de WWB iedere burger immers de zekerheid van toereikende middelen om in het noodzakelijke te voorzien en neemt daarmee de noodzaak weg tot het maken van schulden louter om in de noodzakelijke bestaanskosten te kunnen voorzien. Schulden ontstaan dus, uitzonderingen daargelaten, niet uit een gebrek aan het noodzakelijke, doch uit de wijze van besteding van de middelen (zie TK 2002-2003, 28 870, nr. 3, p. 43-45). Aangezien degene die bijstand vraagt ter gedeeltelijke of volledige aflossing van een schuldenlast bij het ontstaan van de schuldenlast, dan wel nadien, normaal gesproken beschikte of beschikt over de middelen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien (zie artikel 13 lid 1 onderdeel f WWB) is er geen aanleiding tot het verlenen van bijstand voor schulden. Immers, ook iemand met een bijstandsuitkering of een minimumloon beschikt over voldoende bestaansmiddelen, zelfs als hij daaruit mede schulden moet aflossen (zie CRvB 27-04-1999, nr. 97/1 2338 ABW).

In de praktijk komt het geregeld voor dat een belanghebbende de kosten waarvoor hij bijstand aanvraagt met geld dat hem door vrienden of familie is voorgeschoten heeft betaald. Indien er echter slechts een relatief gering tijdsverloop is tussen het moment waarop bij belanghebbende de kosten opkomen en het moment waarop hij bijstand aanvraagt voor die kosten, moet de aanvraag ge acht worden te zien op die kosten en niet op de door het voorschieten ontstane schuld. Zie CRvB 06-04-2004, nr. 02/222 1 NABW.

2.2 Uitzondering 1: borgtocht bij saneringskrediet

In afwijking van de hoofdregel dat bijstandsverlening voor schulden niet mogelijk is, kan het college op grond van artikel 49 onderdeel a WWB bijzondere bijstand verlenen in de vorm van borgtocht indien het verzoek van de belanghebbende tot verlening van een saneringskrediet is afgewezen vanwege diens beperkte mogelijkheden tot terugbetaling en de borgtocht noodzakelijk is om de krediettransactie alsnog doorgang te doen vinden.

Het verzoek van belanghebbende tot verlening van een saneringskrediet moet zijn afgewezen door:
a. een gemeentelijke kredietbank of, indien de gemeente daarbij niet is aangesloten;
b. een kredietinstelling die is ingeschreven in het register als bedoeld in de Wet toezicht kredietwezen 1992 en die is ingeschreven in het register bedoeld in artikel 52, tweede lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992.

Het voorgaande impliceert dat de WWB geen uitgebreide rol kan spelen in het kader van schuldsanering. Schuldsanering is een taak die vooral door gemeentelijke kredietbanken wordt vervuld. In de praktijk komt het voor dat zo’n kredietbank niet tot het verstrekken van een saneringskrediet overgaat, aangezien het inkomen van betrokkene te weinig zekerheid biedt dat deze aan de aflossing kan voldoen. Wanneer om die reden de kredietbank tot een afwijzing van de aanvraag voor een saneringskrediet heeft besloten, kan het wenselijk zijn, indien schuldsanering noodzakelijk en urgent is doordat het voortbestaan van de schuld betrokkene in zijn bestaan bedreigt, dat borgstelling op grond van de WWB plaatsvindt, zodat de kredietbank alsnog tot de verstrekking van een saneringskrediet kan besluiten. Artikel 49 onderdeel a WWB biedt daartoe de mogelijkheid. Voor de toepassing van dit lid is vooral de noodzaak en urgentie van de schuldsanering doorslaggevend en niet de aard van de kosten die tot de schuld hebben geleid (zie TK 2002-2003, 28 870, nr. 3, p. 73-74). Het gemeentelijke beleid in deze is opgenomen in onderdeel 2.6 van deze paraaf.

2.3 Uitzondering 2: zeer dringende redenen

In afwijking van de hoofdregel dat bijstandsverlening voor schulden niet mogelijk is, kan het college op grond van artikel 49 onderdeel b WWB hiervoor toch bijzondere bijstand verlenen indien daartoe zeer dringende redenen bestaan en een borgstelling voor een saneringskrediet geen uitkomst biedt. Of zich zeer dringende redenen voordoen die een afwijking van de gegeven hoofdregel rechtvaardigen, is ter beoordeling aan het college.

Verlening van bijstand voor de betaling van een schuld kan gerechtvaardigd zijn, indien het ontstaan en voortbestaan van die schuld is veroorzaakt doordat de belanghebbende in het verleden slechts beschikte over een inkomen onder het bijstandsniveau en in zijn geval ook overigens van ontoereikende middelen kan worden gesproken (zie TK 2002-2003, 28 870, nr. 3, p. 73-74).

Ook kan als voorbeeld worden genoemd de situatie waarin de betrokkene ten tijde van het ontstaan van de schuldenlast beschikte over een inkomen dat de bijstandsnorm ruim over schreed, en een lening afsloot op basis van dat inkomen. De schuldenlast hoeft dan lang niet altijd voort te vloeien uit een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan: bijvoorbeeld als door onvoorzienbare omstandigheden hei inkomen van belanghebbende sterk daalt nadat de lening is afgesloten, waardoor hij niet meer aan de aflossingsverplichtingen kan voldoen (zie TK 2002-2003, 28 870, nr. 3, p. 72-73).

Volgens vaste jurisprudentie kan het bestaan van een grote schuldenlast in beginsel niet worden aangemerkt als een zeer dringende reden (zie CRvB 04-05-2004, nr. 01/5003
NABW en CRvB 3 1-12-2002, nr. 00/4847 NABW). In dit verband is van belang dat de beslagvrije voet als regel volgens de CRvB voldoende waarborgt dat de betrokkene, ook indien er beslag is gelegd op zijn inkomen, in de noodzakelijke bestaanskosten kan blijven voorzien (zie CRvB 23-07-2002, nr. 99/5499 NABW).

Indien belanghebbende een aanvraag heeft ingediend voor een saneringskrediet en deze door de kredietbank is afgewezen, dan is deze afwijzing geen dringende reden als bedoeld in artikel 49 onderdeel b WWB. Zie CRvB 04-05-2004, nr. 01/5003 NABW.
Het afwijzen van het saneringskrediet kan mogelijk wel een reden zijn om met toepassing van artikel 49 onderdeel a WWB bijstand te verlenen in de vorm van borgtocht. Zie onderdeel 2.2 van deze paragraaf.

Indien het college van oordeel is, dat in het concrete geval bijstandsverlening voor schulden geboden is, kan het college deze bijstand op grond van artikel 48 lid 2 onderdeel d WWB verlenen in de vorm van een geldlening of borgtocht. Dit is een bevoegdheid van het college. Daarbij wordt het aan het college zelf overgelaten om te bepalen of de bijstand wordt verleend om niet, dan wel in de vorm van een geldlening of borgtocht (zie ook TK 2002-2003, 28 870, nr. 3, p. 72-73).

Gemeentelijk beleid
De gemeente zal bijstand voor schulden in verband met zeer dringende reden in principe als geldlening worden verstrekt. In alle gevallen zal op individuele gronden moeten worden vastgesteld dat er sprake is van zeer dringende reden.
Criteria die bij de toekeninning van leenbijstand voor schulden spelen zijn: de gezinssamenstelling (zijn er kleine kinderen?), de aanwezigheid van gehandicapte gezinsleden en leeftijd.
Dit betekent bijvoorbeeld dat we het, ingeval van een gerechtelijk vonnis tot ontruiming van de woning wegens huurschuld bij gezinnen met kleine kinderen, feitelijk niet zover laten komen. Bij gezonde alleenstaande of gezonde volwassenen zonder kinderen laten we het wel tot ontruiming komen.
In het gememoreerde geval van het gezin met kleine kinderen zal sociale zaken de huurschuld betalen en ontstaat er een vordering wegens leenbijstand op de klant. De leenbijstand wordt verleend onder bepaalde voorwaarden. Standaard wordt de voorwaarde opgelegd dat de klant gebruik moet gaan maken van de mogelijkheid van budgetbeheer. Verder kunnen er op grond van de individuele situatie van de klant nadere voorwaarden worden gesteld. Tevens wordt aangegeven dat als de klant niet voldoet aan de voorwaarden de leenbijstand terstond opeisbaar wordt. Hiernaast wordt gemeld dat er bij recidive geen hulp meer wordt geboden door afdeling sociale zaken bij uithuiszetting van een gezin met kleine kinderen of bij beslaglegging op inboedel.
Hierbij dient te worden opgemerkt dat budgetbeheer in principe tijdelijk is.

2.4 Uitzondering 3: belastingschulden

Een belastingaanslag over een voorgaand kalenderjaar is in zekere zin ook te beschouwen als een schuld. Bijstandsverlening is in beginsel dus niet mogelijk. Hierop bestaat een speciale uitzondering: er kan toch bijstand worden verleend indien de belastingaanslag betrekking heeft op een periode van bijstandsverlening in het verleden waarin:

- bruto-inkomsten op de bijstand zijn gekort, of;

- teveel aan heffingskorting is ontvangen die op de bijstand is gekort.

2.5 Aantoonplicht en rapportage.

Degene die bijzondere bijstand aanvraagt voor de aflossing van schulden zal in ieder geval moeten aantonen dat hij schulden heeft. Slaagt hij daar niet in dan kan het college de aanvraag reeds op die grond afwijzen. Er hoeft dan geen beoordeling plaats te vinden of er sprake is van dringende redenen (zie CRvB 08-01-2002, nr. 99/4306 NABW).

Aangezien het verlenen van bijzondere bijstand voor schulden een uitzondering is, zal de rapportage duidelijk moeten aangeven op grond van welke feiten en omstandigheden er toch tot bijstandsverlening wordt overgegaan. In verband hiermee ligt het voor de hand om in de rapportage ondermeer aandacht te besteden aan:

- de omvang van het totale schuldenpakket;

- de reden waarom en de wijze waarop de schulden zijn ontstaan;

- de middelen (inkomen en vermogen) die belanghebbende bij het ontstaan van de schulden en daarna tot zijn beschikking heeft gehad;

- de pogingen die belanghebbende zelf heeft ondernomen om uit zijn schuldensituatie te komen (zijn er verzoeken om kwijtschelding/vermindering van de schulden gedaan?);

- wat wordt er aan gedaan om het verder oplopen van bestaande schulden en het ontstaan van nieuwe schulden te voorkomen?

- is er reeds eerder bijstand voor schulden verleend?

- wat is de visie van klantmanager, consulent schuldhulpverlening en consulent terugvordering en verhaal?

- bij bijstand in de vorm van een geldlening: hoe zal de bijstand worden terugbetaald?

2.6 Schuldhulpverlening

Belanghebbende die problematische schulden heeft, kan en moet eerst zelf proberen zijn schuldensituatie op te lossen bijvoorbeeld door gebruik te maken van het zogenaamde minnelijke traject (zie onderdeel 3.2 van deze paragraaf): met ondersteuning van een schuldhulpverlener wordt dan geprobeerd tot een aflossingsregeling met de schuldeisers te komen. Lukt dat niet, dan biedt de Wet schuldsanering natuurlijke personen (WSNP) alsnog een mogelijkheid om een schuldenvrije toekomst te bereiken (zie onderdeel 3.3 van deze paragraaf).

Het is vooral een taak van gemeenten om burgers vrijwillige schuldhulpverlening aan te bieden. De meeste gemeenten schakelen hiervoor erkende organisaties in zoals gemeentelijke krediet- banken, gespecialiseerde schuldhulpverleningsbedrijven of maatschappelijk werk.

Gemeentelijk beleid
Onderstaande richtlijn geeft aan hoe de vrijwillige schuldhulpverlening binnen de gemeente is geregeld respectievelijk waar burgers zich moeten melden voor vrijwillige schuld- hulpverlening. Tevens geeft deze richtlijn het gemeentelijk beleid ten aanzien van het verstrekken van bijzondere bijstand voor de kosten schuldhulpverlening en/of budgetbegeleiding en de voorwaarden waaronder borgtocht voor een saneringskrediet wordt verleend.
Inwoners van gemeente Kampen die zich melden voor –vrijwillige- schuldhulpverlening kunnen dit doen bij Buro Schuldhulpverlening. Hier kunnen zij begeleiding verwachten met betrekking tot:

- schuldhulpverlening,

- het minnelijk traject,

- budgetbeheer en

- het WSNP traject.

Er wordt geen bijstand verleend voor schuldhulpverlening of schuldsanering omdat de mogelijkheden die door de gemeente worden geboden volgens ons als passend en toereikend kunnen worden beschouwd. Denk in dit geval aan:

- de mogelijkheid voor schuldhulpverlening bij Buro Schuldhulpverlening
- de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen (WSNP)
In praktijk zal er ook, gezien bovenstaande, geen borgtocht voor een saneringskrediet worden verstrekt.

3. Schuldsanering

3.1 Inleiding

Een schuldenaar die problematische schulden heeft, kan en moet eerst zelf proberen zijn schuldensituatie op te lossen bijvoorbeeld door gebruik te maken van vrijwillige schuldhulpverlening. Zie voor de kosten van schuldhulpverlening onderdeel 2.6 van deze paragraaf. Met ondersteuning van een schuldhulpverlener wordt dan geprobeerd tot een aflossingsregeling met de schuldeisers te komen, het zogenaamde minnelijke traject (zie onderdeel 3.2 van deze para graaf).

Het minnelijke traject biedt niet altijd uitkomst. Als de schuldenaar niets kan aflossen of de schuldeisers willen meer terug krijgen dan de schuldenaar kan aanbieden, is een minnelijk akkoord onmogelijk. Zijn alle pogingen om tot een vrijwillige overeenkomst te komen mislukt, dan kan via de Wet schuldsanering natuurlijke personen (WSNP) alsnog gewerkt aan een schuldenvrije toekomst (zie onderdeel 3.3 van deze paragraaf). Deze wet behelst de opname van een regeling in de Faillissementswet waardoor voorkomen kan worden, dat een natuurlijk persoon die in een problematische schuldsituatie is terechtgekomen, tot in lengte van dagen met zijn schulden kan worden achtervolgd. Daarbij geldt als uitgangspunt, dat betaling van schuldeisers geen voorwaarde kan zijn voor het bieden van uitzicht aan natuurlijke personen om als het ware weer met een schone Iei verder te kunnen. Dit doel wordt onder andere bereikt door het voorkomen van faillissementen van natuurlijke personen.

3.2 Minnelijke traject

Via een intakeprocedure beoordeelt de schuldhulpverlener of de schuldenaar in aanmerking komt voor een schuldsanering in het minnelijke traject. In deze fase tracht de schuldhulpverlener via onderhandelingen met de schuldeisers tot een oplossing te komen. Leidraad hierbij is de Gedragscode Schuldregelen van de NVVK. Hierin staat beschreven waaraan de schuldhulpverlener zich dient te houden, dat de schuldenaar zich maximaal dient in te spannen, dat alle schuldeisers moeten meedoen en gelijkberechtigd worden, enzovoort.

De schuldhulpverleners gebruiken vaste methodes om afloscapaciteit te berekenen (zie http://www.schuldregelen.nlI). Tezamen met eventuele vermogensbestanddelen is dan het totaal beschikbaar bedrag voor de aflossing van de schulden bekend. Het bedrag dat de schuldenaar dan nog zelf vrij kan besteden ligt iets onder het bijstandsminimum. Hierbij wordt wel rekening gehouden met bepaalde noodzakelijke kosten. De aflosperiode is doorgaans 36 maanden, en maximaal 60 maanden. Wanneer het totaal beschikbare bedrag onvoldoende is om alle schulden te voldoen, kan een gedeelte worden kwijtgescholden of een saneringskrediet worden afgesloten.
De schuldenaar kan na afloop van de aflosperiode dus met een schone lei beginnen.

3.3 Wettelijk traject (WSNP)

De Wet schuldsanering natuurlijke personen (WSNP) heeft een complementair karakter en stelt daarom uitdrukkelijk dat een minnelijk akkoord altijd de voorkeur heeft (zie onderdeel 3.2 van deze paragraaf). Dit betekent dat de schuldenaar in alle gevallen eerst bij de schuldhulpverleners binnen de gemeente moet aankloppen (zie ook onderdeel 2.2 van deze paragraaf).
Pas als dat niet lukt, kan een beroep op de WSNP worden gedaan. De schuldenaar moet wel voor het mislukken van het tot stand komen van de minnelijke regeling een verklaring aanvragen bij de gemeente. Overigens kan de gemeente deze bevoegdheid overdragen aan een ander orgaan, bijvoorbeeld de kredietbank.
Bij gemeente Kampen is deze bevoegdheid overgedragen aan Buro Schuldhulpverlening.
Indien er geen minnelijke regeling wordt getroffen, kan de schuldenaar de rechtbank verzoeken om de WSNP op hem van toepassing te laten zijn. Het verzoekschrift dient vergezeld te gaan
van bijlagen waaronder de zogenaamde schuldsaneringsverklaring waarin de gemeente aangeeft waarom geen minnelijk akkoord mogelijk is.

Ook bij de WSNP kan het nodig zijn dat gespecialiseerde (schuld) hulpverleners hierbij helpen. Zie voor de kosten van schuldhulpverlening onderdeel 2.6 van deze paragraaf.
Aan de hand van de stukken en eventueel een mondelinge toelichting door belanghebbende zelf beoordeelt de rechtbank of inderdaad geen minnelijk akkoord mogelijk is en hoe de schulden zijn ontstaan. De rechtbank doet op het verzoekschrift direct uitspraak en kan de regeling voorlopig, definitief of niet van toepassing verklaren.

De regeling kan niet worden geweigerd, uitsluitend omdat er geen of onvoldoende vooruitzicht bestaat dat de schuldeisers geheel of gedeeltelijke worden betaald.
De regeling wordt niet van toepassing verklaard indien bijvoorbeeld:

- de schuldenaar in staat is om zijn schulden te betalen;

- er gegronde vrees is dat de schuldenaar tijdens de regeling tracht zijn schuldeisers te benadelen;

- de schuldenaar niet te goeder trouw is geweest bij het ontstaan van zijn schulden, bijvoorbeeld door onverantwoord koopgedrag of fraude. Dat geldt ook voor eerdere faillissementen of schuldsaneringen.

Verder beoordeelt de rechtbank of de schuldenaar de verplichtingen kan nakomen die uit de schuldsanering voortvloeien.
Stemt de rechtbank in met het verzoek, dan moet gedurende gemiddeld drie jaar een deel van het inkomen en vermogen van belanghebbende worden aangewend om de schulden af te lossen. Dit lijkt op het minnelijke traject met dit verschil dat de schuldeisers moeten meewerken.
Als de WSNP wordt uitgesproken over een schuldenaar dan benoemt de rechtbank een rechter-commissaris en een bewindvoerder.

De bewindvoerder is de vereffenaar en beheerder over het vermogen en de inkomsten van de schuldenaar. De bewindvoerder ziet erop toe dat alles volgens afspraak verloopt. Hij onder zoekt de situatie, onderhoudt voorzover nodig contacten met de schuldeisers en neemt een aantal verantwoordelijkheden van belanghebbende over. Zo kan hij een eigen huis of ‘bovenmatige’ bezittingen zoals een auto of een caravan verkopen om hiermee een gedeelte van de schulden te voldoen.

Ook de inkomsten van de schuldenaar moeten worden ingezet om de schulden te voldoen.
Buiten de boedel blijft de schuldenaar bevoegd.
De berekening van de aflossingscapaciteit geschiedt zoals hiervoor is besproken bij het minnelijke traject (zie onderdeel 3.2 van deze paragraaf). Wel wordt in het wettelijke traject, op grond van het Besluit salaris bewindvoerder schuldsanering, € 26,-- of € 31,-- per maand als kosten voor de bewindvoerder in mindering op de aflossingscapaciteit gebracht. Genoemde bedragen gelden per 1juli 2002.

De regeling duurt maximaal 60 maanden en minimaal 12 maanden. Maar voor de meeste regelingen zal een termijn gelden van 36 maanden. Na deze perioden is de schuldenaar van zijn schulden verlost. Hij heeft dus een schone lei. De schuldeisers kunnen de schulden niet opeisen en het is hier ook niet van belang hoeveel de schuldenaar uiteindelijk heeft afgelost.
Van de schuldenaar wordt verwacht dat hij zich inspant om zoveel mogelijk geld voor de aflossing beschikbaar te stellen. Belanghebbende moet eventueel verhuizen naar een goedkopere woning, beter betaald werk zoeken en op andere manieren de lasten proberen te drukken en zijn inkomen te verhogen.
Als de schuldenaar zich niet aan de afspraken houdt of als hij informatie achterhoudt kan de rechtbank de schuldsanering tussentijds beëindigen. Belanghebbende wordt dan automatisch failliet verklaard waarna de schuldeisers hun vordering weer kunnen opeisen bijvoorbeeld via een beslag op inkomen en/of bezittingen.
Verloopt alles wel volgens de regels, dan verstrekt de rechtbank na afloop van de vastgestelde periode belanghebbende een schone lei; het restant van de schulden hoeft hij dan niet meer terug te betalen.

Een belangrijk verschil tussen de minnelijke regeling en WSNP is dat schuldeisers verplicht zijn om mee te werken bij de WSNP. Bij de minnelijke regeling gebeurt de medewerking van de schuldeisers op vrijwillige basis. Daarnaast zijn de mogelijkheden om te verrekenen beperkt.
Zie voor meer informatie over problematische schuldensituaties http://www.schuldregelen.nl. Dit is een website die wordt verzorgd door het NIBUD en tot stand is gekomen met steun van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

4. Suppletie

Kredietverlenende instanties berekenen de aflossingscapaciteit van een belanghebbende en stemmen daar de hoogte van de maximaal te verstrekken lening op af Indien belanghebbende een lening bij een kredietverlenende instantie zou willen afsluiten voor een bedrag dat hoger is dan hetgeen hij op basis van zijn maximale aflossingscapaciteit in gevolge de bepaling van de kredietverlenende instantie zou kunnen lenen, kan het college overwegen een suppletie te ver strekken. Deze suppletie vult de maximale aflossingcapaciteit aan tot de aflossingcapaciteit die nodig is voor de betreffende lening. Veel gemeenten hebben hierover afspraken gemaakt met de in hun regio actieve gemeentelijke kredietbank (GKB).
Onderstaande richtlijn (B093) geeft het gemeentelijk beleid ten aanzien van het verstrekken van bijzondere bijstand voor de kosten van suppletie en borgstelling bij kredietverlenende instanties.

Gemeentelijk beleid
Voor de kosten die verbonden zijn aan een geldlening bij een kredietverlenende instantie voor zover die uitgaan boven de maximale aflossingscapaciteit in gevolge de bepaling van de kredietverlenende instantie bestaat in beginsel geen recht op bijstand.

 
Schulden voorkomen
 
Tip 1
Schrijf alle inkomsten en uitgaven op
 
Tip 2
Berg alle belangrijke papieren zorgvuldig op
 
Tip 3
Maak een maandbegroting en een jaarbegroting
 
Tip 4
Onderneem actie als u schulden hebt!
 
Tip 5
Praat over uw schuld problemen en vraag om advies.
 
BKR codering?
     
 
     
 

Copyright © 2007 - 2008 - Alle rechten voorbehouden